Ton vertelt. Echte Hankse Notities

Op deze pagina zal Ton de Wit regelmatig verhalen vertellen van zijn jeugdherinneringen uit de jaren ’50 en ’60. Leuk maar vooral boeiend en geestig verteld. Echte Hankse Notities dus.

SCROLL NAAR BENEDEN VOOR ALLE VERHALEN

16. Thuisbezorgd

15. EEN EIGEN PLEK……

14. BLOEM VAN NEERLANDS MARTELAREN

13. KINDERARBEID IN DE POLDER

12. EN NAAR DE MUUR EN TERUG

11. De Bakermat van het Hankse Wielrennen

10.TREKKEN EN BOREN: IN DE STOEL BIJ TANDARTS MIJNLIEFF.

9. Go! Piet! Go

8.  Leve de Hankse kermis:  DE BOKSTENT

7.  NA SLUITINGSTIJD.

6.  EEN VERGETEN OORLOG:  DE STRIJD TEGEN DE FÈRSEN.

5.  LEG HEM MAAR BIJ DE VOORDEUR.

4.  JAILHOUSE ROCK IN HET ONDERHUIS.

3.  DE LAATSTE VRIJE HOND.

2.  HOE WARM HET WAS EN HOE VER

1.  DE FANFARE VAN HONGER MAAR VOORAL (VEEL) DORST.

16.

THUISBEZORGD !!

Hallo meneer Jumbo! Hallo meneer Heijn!

Jullie doen nu net alsof jullie het thuisbezorgen hebben uitgevonden. Nou, niets is minder waar. In de jaren vijftig kon men als het ware een jaar binnenblijven  zonder om te komen van honger en kou. Daar zorgden de vele ‘bezorgdiensten’ wel  voor. Kwam nog bij dat praktisch iedereen beschikte over een eigen moestuin en daarbij een kelder had om een wintervoorraad aan te leggen van de zelf gekweekte groenten. Laten we eens kijken wie er zoal aan de deur kwam zo rond 1955.

Allereerst de melkboer. “Doe mar ne melkkoker (1) rome (2)en un pakske goei botter (3)

“We hadden er  twee in het dorp: Broer de Wit en Henk Pellicaan. Beiden hadden voor de bezorging de beschikking over kar en paard. Deze paarden hadden een soort ingebouwde tom-tom en wisten feilloos de route en hun klanten te vinden. Broer de Wit had een wit paard en dat maakte de merrie behoorlijk arrogant. Eenmaal per jaar mocht hij namelijk optreden als “het paard van Sinterklaas” en dat liet hij aan ons kortebroekers verder het hele jaar neerbuigend merken.

Vervolgens de groenteboer: Doe mar ne kop (4)mofferbonen (5) en nun  Arabische knol (6)

Deze dienst werd verzorgd door Drik van de Pluijm en Pauwke van de Zouwen. Het assortiment week weinig af van wat wij in onze moestuinen verbouwden. Qua exotisch fruit kwamen ze niet verder dan de sinaasappel en de banaan en in het seizoen aardbeien en druiven. De kiwi, de mango en de avocado moesten nog worden uitgevonden. Maar wel ‘s zomers natuurlijk Exota en champagnepils.

Dat brengt ons bij de kruidenierswaren. “Doe mar un stuk sunligt (7) en vijf zakskes blauw(8)”

De kruidenierswaren werden bezorgd door o.a. Drik Vetjens (Végé) en Wimke Leemans (André van Hilst). In het begin van de week kwamen ze aan huis om de bestelling op te nemen. Die werd dan genoteerd in een boekje en op vrijdag of zo werden de boodschappen door Drik en Wimke bezorgd.  Drik was (met de kennis van achteraf) zo’n beetje de voorloper van Tommy Teleshopping. Hij zette bij het opnemen van de bestelling een grote rieten mand op tafel en begon uitvoerig de aanbiedingen van die week aan te prijzen in de trant van “dit is iets nieuws wat Amerika komt, het heet Nescafé, je hoeft er alleen water bij te doen en je hebt koffie”. Wij kortebroekers hadden echter andere interesses, nl het “snoepje van de week”: een papieren zakje met daarin een snoepje of een speeltje.

Dan nu de slagers. “Doe mar un pond snerk (9) en un half pond haksel (10)

Aja, daar hebben we Adriaan Penninx en Piet van Amelsfoort, ambachtelijke slagers zoals ze horen te zijn. Ook zij kwamen in het begin van de week de bestelling opnemen om die tegen het weekend te bezorgen. Maar voor ons kortebroekers was vooral interessant wat ze de rest van de week deden: thuisslachtingen.  Veel Hankenaren hielden een varken achter het huis en van tijd werden die ter plaatse geslacht door onze vakslagers. Natuurlijk stonden we daar met onze neus bovenop ( de tere kinderziel moest nog worden uitgevonden). We kenden de volgorde: het dodelijke schot, het ophijsen van het karkas tegen een leer (zeg nooit ladder), het aftappen van het bloed, openhakken van het karkas en dit verwerken tot koteletten en wat dies meer zij.

Niet te vergeten: de kolenboer en petroleumboer:  “Doe mar un mud notjes vier (11) en un pak sloffen (12)

Willem van Toon van Pietjes van de Pluijm en (opnieuw) Drik Vetjens zorgden ervoor dat we ’s winters niet in de kou hoefden te zitten. In elk huis stonden een of meerdere kolenkachels én een petroleumstel. Hierop werd het suddervlees warmgehouden en op zondagavond werd er de wasketel mee verwarmd waardoor de was werd voorgekookt. (Met sunligt natuurlijk!)

Dat brengt ons bij de bakkers: “Doe mar ne scheurmik (13) en un achtooske (14)

We hadden maar liefst vier bakkers in Hank: Jan van Diene van der Pluijm, Johanneke van Alphen, Pieter Pennings en Nol van Mien van Jantjes van der Pluijm. Allemaal hadden ze hun eigen klantenkring en vervoerden ze hun broden in bakfietsen, al dan niet met hulpmotor. Een uitzondering hierop was Jan van Diene. Die had nl een prachtige ponykar met uiteraard een pony ervoor. Het beest heette Johnny (naar Johnny Jordaan? Johnnie Kraaijkamp?) Wij kortebroekers hadden diep respect voor Johnny, maar dat kwam vooral door diens onhebbelijke eigenschap om naar onze blote kuiten te happen. Zo rond de middag waren de bakkers klaar met hun ronde en verzamelden ze zich voor een aperitief in de etablissementen van De Phoenix en Het Centrum.  Johnny stond dan maar een beetje plichtmatig te kijken in de Kerkstraat . Als hij het te lang vond duren liep hij alvast maar naar huis, om te gaan genieten van het sappige gras achter de bakkerij aan de Buitendijk.

Epiloog.

Inmiddels zijn bijna al deze beroepen en hun diensten uit het straatbeeld verdwenen. We zeggen ‘bijna’ want er is er nog een en die moeten we koesteren. Natuurlijk hebben we het hier over Jan van Drikke van der Pluijm. Door weer en wind zien we hem op zijn vaste route door het dorp. Je kunt er de klok op gelijk zetten. “Jan is laat” zeggen we soms (maar zelden) tegen elkaar. Een ding is duidelijk: we moeten zuinig zijn op Jan. Het is de laatste vertegenwoordiger van een al lang verdwenen generatie die ons weemoedig   doet denken aan de goede tijden van weleer.

Verklarende woordenlijst:

  1. Melkkoker: geëmailleerde kan waarmee losse rauwe melk gehaald werd aan de kar en die in de melkkoker gekookt moest worden alvorens te consumeren
  2. Rome: volle, losse rauwe melk
  3. Goei botter: roomboter
  4. Kop: ijzeren inhoudsmaat van vijf liter
  5. Mofferbonen: tuinbonen
  6. Arabische knol: koolraap
  7. Sunligt: sunlight zeep, vooral gebruikt om de was te laten trekken in de wasketel .
  8. Zakske bauw: zakje met blauw poeder om de witte was nog witter te laten worden
  9. Snerk: varkenshersenen
  10. 10: haksel: zult
  11. Notjes vier: anthraciet . Het getal vier geeft de grootte aan
  12. Sloffen: briketten (geperst steenkoolstof)
  13. Scheurmik: brood waarbij het deeg van boven is ingeknipt. Geeft knapperige korst.
  14. Achtooske: een tarwebrood van acht ons

15.

EEN EIGEN PLEK……

In de jaren vijftig van de vorige eeuw zat de kerk van Hank stampvol, iets wat we ons nu niet meer voor kunnen stellen. Dit had vooral te maken met de verplichting om op zondag de mis bij te wonen, de zogenaamde zondagsplicht. Dit was formeel vastgelegd in artikel 1 van de Vijf Geboden van de Katholieke Kerk. Overtreding van dit gebod gold als een zware zonde en dat werd ons maar al te vaak ingewreven. Ook zondigde men “wanneer men te laat komt, vrijwillig verstrooid is, of de heilige dienst stoort”. Op dat laatste komen we nog terug. Uitgezonderd van deze zondagse kerkgang waren zieken en moeders met zuigelingen. De boeren konden op zondag “dispensatie” krijgen om de H. Mis bij te wonen als er gezaaid, geoogst en gehooid moest worden. Om die reden alleen al wilden wij kortebroekers ook boer worden.
De kerk moest onderhouden worden en pastoor Van der Heijden, de kapelaans en de pastoorsmeid moesten eveneens voorzien worden in hun onderhoud en daarvoor was geld nodig. Hiervoor had het kerkbestuur een simpele, maar doeltreffende oplossing gevonden: de bankenpacht. Tegen betaling huurde je een plaats in een bepaalde bank of soms zelfs een hele bank. Laten we eens kijken hoe dat in Hank in zijn werk ging. Op een mistige zondag in oktober bleven de gezinshoofden ‘s middags na het Lof in de kerk. Nu was ons voor Gods Aangezicht aan de hemelpoort gelijke behandeling beloofd, maar daar was die middag in oktober weinig van te merken. Onder leiding van een van de kerkmeesters gingen de banken, van voor naar achteren, een voor een ‘onder de hamer’ volgens het principe: hoe dichter bij het altaar hoe duurder de bank. Als er meerdere kandidaten waren voor een plek dan kon het grote bieden beginnen. Een jaarplaats op een van de voorste rijen kostte in de jaren vijftig al gauw zo’n vijftig gulden (omgerekend naar heden zo’n 170 euro) per persoon per plek. (Ter vergelijking: het gemiddelde weekloon lag rond 1955 op 45 gulden (20 euro) Het huren van drie plaatsen of zelfs een hele bank door een gezinshoofd was geen uitzondering. Die ‘dure’plaatsen gingen dan vooral naar welgestelde boeren, een enkele middenstander en een verdwaalde notabele. Het gevolg hiervan was dat de rijke families vooraan in het middenschip zaten. Naar achteren toe en in de zijbeuken was er sprake van afnemende welstand, niet zelden in combinatie met een verminderde vurigheid van het geloof. Om kosten te besparen huurden meerdere gezinnen uit één familie samen een hele bank en dan nog moesten de kortebroekers vanwege plaatsgebrek tijdens de Hoogmis naar een vroege mis gestuurd worden waar ze dan meestal hun neven en nichten troffen. Een socioloog zou in die tijd gezegd kunnen hebben: “Noem mij het nummer van uw bank en ik zal u zeggen wat uw plaats is in de maatschappelijke ordening van Hank”
Zo ontstond door de bankenpacht een soort Hankse Quote 500, waarbij in de top vijftig maar weinig veranderde. Ja, een boerderijbrand of een faillissement kon iemand zomaar tien banken achteruit slaan, maar echt vaak gebeurde dat niet. Geen misverstand, natuurlijk was het een schrijnend onrechtvaardig systeem dat geen recht deed aan het feit dat wij allemaal Gods kinderen waren. Echter, we ondergingen lijdzaam, maar inwendig morrend en verbitterd, deze door de Kerk gewenste orde.
Enfin, eenmaal een plaats of bank “gekocht” verschafte je dat het recht om een jaar lang op die plaats te mogen zitten en die plaats op te eisen als er per ongeluk iemand anders op zat. Daarnaast kon je je plaats veraangenamen door van thuis een zitkussen mee te nemen, dat tevens gebruikt werd als knielkussen. Dit varieerde van kleine kussentjes, al dan niet voorzien van fraaie borduursels, tot halve matrassen. De kussens hingen dan aan haakjes onder de rugleuning van de vorige bank. Daarnaast kon je op je plek je missaal laten liggen, soms in het gezelschap van een rolletje King-pepermunt.
Er waren een paar plekken uitgezonderd van deze bankenpacht. De eerste twee rijen links vooraan (gezien vanuit de kerkgangers) waren gereserveerd voor de nonnen van het klooster naast de kerk. Zij hadden ook het privilege om de kerk te betreden via een zijdeur. Verder traden de nonnen bij bepaalde gelegenheden op als zangkoor. Het moet gezegd: Whoopie (Sister act) zou haar handen vol gehad hebben om met dit koor iets te bereiken dat in de verte leek op samenzang, het was tenenkrommend.
Daarnaast waren er links en rechts vooraan in de zijbeuken voor ons kortebroekers de z.g. kinderbanken. Deze banken waren inderdaad van Madurodam-formaat zodat de zevendeklassers zich in onmogelijke bochten moesten wringen om erin te komen om vervolgens een uur lang met de knieën tegen de kin te zitten. Twee keer per week, op dinsdag en vrijdag, werden wij kortebroekers naar de ‘kindermis’ gestuurd, waarbij om beurten driftig werd gesurveilleerd door de meesters Weterings en Willemse. En als je dan weer eens had zitten klieren dan kon je een paar uur later op school nog eens een paar uur op je knieën onder het bord je zonden gaan zitten overdenken.
Dan waren er de plaatsen achter de pilaren. Die tegen het gangpad hadden alleen een zitbank zodat je niet mee hoefde te doen aan het vele knielen tijdens de liturgie. Je zag natuurlijk niets van het altaar, maar omgekeerd werd je ook niet gezien vanaf het altaar door pastoor Van der Heijden. Het had zo zijn voordelen!
Achter de laatste bank was de gratis staantribune. Hier stond iedere week een grote groep mannen die het vertikten om plaats te nemen in een bank. En het moet gezegd: het was er heel gezellig. Er werden geanimeerde gesprekken gevoerd over van alles. Over het feit dat ze weer eens ruzie hadden gehad met hun baas, grommes hadden gehad van hun vrouw, hoe laat de duiven gelost waren in St. Vincent en hoe laat de bus vanaf het café van Richard van Dinteren vertrok naar de uitwedstrijd van Be Ready. Die staanplaatsen waren een doorn in het oog van pastoor Van der Heijden. Met veel gevoel voor drama liep hij nogal eens door het gangpad naar achteren om de kletskousen de les te lezen. Natuurlijk zat de halve kerk bij zo’n buitenkans achterstevoren in de bank. Zo’n buitenkans lieten we ons niet ontnemen. Een paar weken later was het alweer een hele gezellige boel.
De mis liep op zijn einde, maar toen waren de mannen van de staanplaatsen allang voor het zingen de kerk uit om hun belangwekkende gesprekken voort te zetten in de etablissementen van Anton van Narriskes en Piet Heijmans.
In welke bank zat u?

14.

BLOEM VAN NEERLANDS MARTELAREN

We hadden eind jaren vijftig dan wel  twee weken betaalde vakantie, maar echt lang weggaan was er nog niet bij. Ja, een dagje naar de dierentuin in Tilburg of een middag naar het Woerkums strandje, dat was het wel zo’n beetje. Eigenlijk had een jaar in Hank maar twee hoogtepunten: de jaarlijkse kermis en de bedevaart naar Den Briel.

Eerst maar even het verhaal:  in 1572 worden negentien katholieke  geestelijken gevangengenomen in Gorkum door de Geuzen  (protestantse zeerovers) Ze worden gemarteld, naar Den Briel vervoerd en daar, even buiten de stad, opgehangen. Hank kende, net als zoveel Brabantse dorpen een bijzondere verering voor de martelaren. Jaarlijks was er de martelarenprocessie en de bedevaart, de laatste eerst per boot, later per bus.  De bedevaart vond plaats op een zaterdag in juli en was een wonderlijke mengeling van “pelgrimstocht” en “dagje uit”

Eind jaren vijftig zag zo’n dag er een beetje als volgt uit:  rond een uur of acht verzamelden de pelgrims zich in de Kerkstraat, waar de zes (!) bussen van de ALAD al stonden opgesteld, gemakshalve genummerd van een tot zes. Door de geopende ramen werden tassen vol kadetjes, krentenbollen en eierkoeken doorgegeven, gevolgd door evenzoveel tassen met ranja en Exota. De Hankse bakkers (vier!) waren die morgen om twee uur opgestaan om te kunnen voldoen aan de grote vraag. De sfeer op het kerkplein schommelde tussen ingetogen en opgewonden.

Voor ons kortebroekers was het zaak om goed te kijken in welke bus meester Weterings en meester Willemse stapten,  waarop wij vervolgens  schielijk  in een andere bus stapten. In de bus bij de meesters leek ons teveel op een verlengde schooldag.Tegen half negen waren we klaar om te vertrekken. De Dussense brandweer onder leiding van slager Franske Pennings zou waken over de veiligheid in ons dorp. Zo ongeveer het hele dorp zat in de bus, bij wijze van spreken slechts uitgezwaaid door een boer  wiens koe op kalven stond, een hoogzwangere vrouw en een oude van dagen uit het mannenhuis in het zusterklooster. En daar gingen we!

Al op de Buitendijk werd via de microfoon het bidden van een rozenhoedje ingezet. Het antwoorden viel nog niet mee, want we hadden onze mond vol met kadetjes, eierkoeken en krentenbollen. Het was dan wel een pelgrimstocht, maar dat betekende niet dat we honger hoefden te lijden. Bij Zevenbergschen Hoek (ja, want binnendoor) hadden we al twee rozenhoedjes op de teller staan. “Kijk, de Moerdijkbruggen” zeiden we een eindje verder, en “Oef” toen we weer bovenkwamen uit de Maastunnel. Tegen tien uur bereikten we het als altijd zo lieflijke Den Briel. We zongen “Bloem van Neerlands Martelaren”   en even later stapten we uit bij de martelarenkerk, even buiten de stad. We konden meteen doorlopen de  kerk in voor een H. Mis met Drie Heren. De ingevlogen pater kapucijn (lange baard, bruine pij, blote voeten en sandalen) ging er tijdens de preek meteen met gestrekt been in. Met brede armgebaren, dreunende vuisten op de preekstoel en veel retorische vragen werd het lijdensverhaal van de martelaren uit de doeken gedaan. Het was van meet af duidelijk:  de Geuzen, de protestanten dus, waren de kwaaieriken, die die arme katholieken een kopje kleiner hadden gemaakt of preciezer: hadden opgehangen. Het was een simpel wereldbeeld: de protestanten waren slecht en katholieken stonden daar mijlenver boven aan de goede kant van het geloof.  Het is nooit uitgezocht, maar waarschijnlijk is hier de Hankse weerstand tegen Holland in zijn algemeenheid en Werkendam in het bijzonder ontstaan.  Met de woorden van de pater nog nadreunend in ons hoofd, zette pastoor van der Heijden het Credo  in, beantwoord door het meegereisde kerkkoor. Aan het einde van de mis  deed de pastoor nog enkele mededelingen:  “Na  de mis is er gelegenheid tot biechten, en de Kruisweg begint om halfdrie”. Hierna volgde het “Ite missa est”, beantwoord door ons “Deo Gratias” en we zongen: “Bloem van Neerlands Martelaren” . Knipperend tegen het zonlicht stommelden we naar buiten. Van de gelegenheid tot biechten werd nauwelijks gebruik gemaakt, dat ging alleen maar van onze eigen tijd af.

Voor ons lag het kerkplein, beter is om hier te spreken van een marktplein. Er was een keur aan kramen met bedevaart-attributen als medailles, schapulieren, rozenkransen, heiligenbeelden, geneeskrachtig water etc. Daarnaast waren er kramen met meer aardse zaken als sneeuwbeeldjes, lepeltjes en kopjes  met “groeten uit Den Briel” . De belangstelling van ons kortebroekers ging echter vooral uit naar de kraam met een assortiment messen en dolken met eveneens “Groeten uit Den Briel” erop. Het was tijd om ons restant kadetjes, krentenbollen en eierkoeken op te eten. Dat kon in de horeca rond de kerk, in het bijzonder in het café “De twee getuigen” Daarna waren we een paar uur “vrij” De mannen namen een fles bier of een borreltje. (En nog een!!!) Het was dan wel een bedevaart, maar dat betekende niet dat je dorst hoefde te lijden. Onze moeders kuierden op hun gemak naar het  centrum van de wereldstad De Briel om daar hun inkopen te doen, want met lege handen terugkomen  van een bedevaart dat kon echt niet.

Met onze vaders in het café en onze moeders in het centrum  moesten wij kortebroekers  onszelf maar een beetje zien te vermaken..  Meestal waren we te vinden bij de aangelegde vijver achter de kerk, waarin een snoek van een meter zwom. We spoorden elkaar aan om in het water te spuwen, waarbij we het risico liepen in ons nekvel te worden gevat door de koster die nl het water uit de vijver aan de man bracht als “geneeskrachtig water”  en dat grif aftrek vond onder de pelgrims. Rond halfdrie verzamelden we ons achter de kerk voor de kruisweg en opnieuw een preek van de pater kapucijn. Opnieuw legde hij er de zweep over:  er was maar één waar geloof en wij mochten ons gelukkig prijzen dat wij deel uitmaakten van dat geloof. Deemoedig bogen we het hoofd, maar het kan ook zijn dat we enigszins slaperig waren door het vele eten en drinken. En we zongen: “Bloem van Neerlands Martelaren”.

Hierna was het tijd voor de terugreis.  Om de bedevaart toch ook een beetje ontspanning te laten zijn was er een rondrit door de Rotterdamse haven. De buschauffeur deed hierbij dienst als reisleider, niet dat we daar veel wijzer van werden. “Deze oceaanstomer komt uit Panama”. Ja, dat zagen we zelf ook wel, het stond er met koeienletters achterop. In de kerk van Moerdijk werd nog even gestopt voor een laatste gebed, gecombineerd met een sanitaire stop, nodig door ons  vele drinken. En we zongen: “Te Lourdes op de bergen”. We stopten voor een laatste keer bij café De Driesprong van Jan de Hoogh in Het Veer. Hier stapten een aantal jongelui uit die meteen doorgingen naar de Veerse Kermis. In Hank was alles nog hetzelfde: de boer had een gezond stierkalf, de hoogzwangere vrouw was dat nog steeds  en  de bejaarde uit het mannenhuis was allang naar bed.

Klik op de foto voor een vergroting

 

13.

“KINDERARBEID IN DE POLDER”

Tja, van ons zakgeld werden wij,  kortebroekers, niet rijk. We kregen een dubbeltje  (€ 0,04) zakgeld  en daarmee renden we meteen naar de bakkerszaak van Johanneke van Alphen aan de Buitendijk. We kochten er kauwgum voor, niet zozeer voor de kauwgum maar voor de plaatjes van filmsterren die erbij zaten en die we fanatiek spaarden en ruilden.

En toch hadden ook wij zo onze droomwensen: een verrekijker, een passerdoos en natuurlijk de ultieme jongensdroom: een bril waarmee je dwars door vrouwenkleren kon kijken, althans dat beloofde de advertentie in de Ter Meulen Post.

Nu deden we in en rondom huis wel allerlei klusjes maar geen haar ons hoofd die eraan dacht om hiervoor geld te vragen. Kolen scheppen, kachelhout hakken, aardappelen schillen en natuurlijk het drieluik: konijn eten geven, konijnenhok schoonmaken, en het  konijn naar de slachter brengen, het waren zo onze gratis verrichte werkzaamheden.  Folders werden nog niet rondgebracht en auto’s om te wassen waren er ook nog niet. Pas als je veertien jaar werd kon je naar het gemeentehuis in Dussen om daar een Arbeidskaart te halen waarmee je het recht kreeg om betaald te gaan werken in bedrijven “aan de overkant” met poëtische namen als “De Cake” en “De Juin”.

De mogelijkheden om betaald te werken waren dus schaars en beperkten zich tot het jaarlijkse peeëndunnen (zeg nooit: bieten dunnen)Enige  agrarische verduidelijking is hier op zijn plaats. De mechanisatie in de landbouw stond nog in zijn kinderschoenen. De peeën werden wel machinaal gezaaid, maar in een ononderbroken rij,  zo dicht als zand. Als de plantjes zo’n tien centimeter groot waren, gingen de boerenknechten met hun hak aan het werk met het zg. “doorslaan”, waarbij ruimte gemaakt werd in de rij en er groepjes van 3à 4 plantjes overbleven. Vervolgens waren wij aan de beurt  om al kruipend zoveel plantjes weg te halen dat er telkens maar een bleef staan.

Zo’n beetje eind april fluisterden we elkaar toe: “Vanmiddag om vier uur bij Merieke Stevens in de Kerkstraat”. Zoals ieder jaar gingen we peeën dunnen bij Piet van den Broek die zijn boerderij in de Noordwaard in de Biesbosch had. Zo rond 1960 luidden de arbeidsvoorwaarden:  “drie rijtjes meenemen voor een gulden (€ 0,45)per uur”. In gedachten rekenden we ons al rijk.  Rond vier uur reed Piet voor in zijn Mercedes en stapten we alle veertien man in. Piet stak een verse bolknak aan en ter hoogte van Johan van Cope zagen we elkaar al niet meer zitten door de rook. Niet dat we daar om maalden, want onze meesters rookten de hele godganselijke dag voor de klas.

Knecht Toon (?) stond ons al op te wachten bij de boerderij en nam ons mee naar het perceel dat als eerste gedund moest worden. Uitleggen wat de bedoeling was hoefde hij niet, wij waren volleerd dunner. We bonden de baalzakken (zeg nooit: jutezakken) met touwen of riemen rond onze knieën en waren er klaar voor. Die morgen had meester Melis op school verteld dat de aarde rond was. Op zee kon je dat goed zien, want van een schip in de verte zag je als eerste de mast. Nou, vanuit ons knie-perspectief was dat niet anders. Van de bomen aan de overkant konden we alleen de toppen zien, zover reikte de akker. We gingen op een rij zitten  en begonnen met dunnen, wetend dat we nog talloze keren op en neer zouden moeten op deze akker. Het voorjaar was dit jaar laat gekomen en de aarde bestond uit groffe klonten (zeg nooit: grove kluiten). “Het land is vals” zeiden we tegen elkaar.

Tergend langzaam vorderden we. Toon liep achter ons, hakte hier en daar wat vuil weg en zijn belangrijkste taak was eigenlijk ons een beetje op een rij te houden. Na anderhalf uur bereikten we voor de eerste keer de overkant. We strekten onze rug, bekeken onze handpalmen waarop de eerste blaren zichtbaar werden. En daar gingen we weer, gelukkig ditmaal op weg naar onze broodzak en drinkbus die we in de slootkant gelegd hadden. Gepraat werd  er niet veel, we hadden per slot van rekening al de hele dag naast elkaar in de bank gezeten. Hooguit werd er bij elkaar geïnformeerd wat we met het verdiende geld gingen doen. Zo rond een uur of acht begon het te schemeren en bracht Piet ons naar huis. We waren gebroken:  de rug deed zeer, de handpalmen waren rauw, de knieën waren gebutst. Fijntjes werd door onze ouders opgemerkt dat we dit werk vrijwillig deden en dat we niet moesten klagen.

Gaandeweg de daarop volgende weken begon het werk te wennen: onze rug was niet stijf meer en op onze handpalmen begon zich eelt te vormen. Maar nu kondigde een andere tegenstander zich aan: de zon; het voorjaar sloeg onverbiddelijk toe.  De dorst begon ons te kwellen. We deden onze bloes en hemd uit en dat geef enige verlichting.  Een ander probleem kondigde zich aan: door onze gestrekte positie op het veld  verbrandden onze ruggen en kuiten binnen een paar uur. De zonnebrand-olie moest nog worden uitgevonden en dus behielpen we ons met slaolie die we hopelijk ongezien hadden meegenomen uit het keukenkastje. Helaas, het werkte averechts.  Na een uur zag onze rug eruit als een gefrituurde kreeft. Die avond konden we slechts op onze buik in bed liggen. Na een paar dagen begon onze rug te vervellen en dat viel zo’n beetje samen met het einde van de dun-campagne.

Het afrekenen was nog een hele klus. We werden geacht zelf onze gewerkte uren bij te houden en dat verschilde van persoon tot persoon:  de een had na moeten blijven, de ander had Franse les bij meester Weterings  en weer een ander had moeten optreden als misdienaar.  Uiteindelijk kwam het goed:  we kregen onze begeerde centen en konden onze dromen in vervulling gaan.

En die bril?. Tja!

12.

“EN NAAR DE MUUR EN TERUG!”

“Zo kan het niet langer”, zeiden onze vrouwen halverwege de jaren zeventig. Huh?. Echtscheiding?. Relatietherapie? Nou, zo erg was het nou ook weer niet. Het kwam erop neer dat ze ervan baalden dat we ons bij elk feest in de Phoenix of bij Het Uivernest verstopten in de toiletten als de band begon te spelen en we het risico liepen te moeten dansen. Goed, met een tweetal vrienden en hun partners zouden we op dansles gaan. De lessen werden op maandagavond gegeven in de zaal van het Bondsgebouw van Het Uivernest. Onze dansleraren waren Piet en Leentje Broos, Cor en Mary Verschuren en het geheime wapen Gerritje Sgroot in de rol van personal coach en relatie-therapeut. Op een mistige herfstavond meldden we ons aan de zaal, samen met enkele andere paren en enkele solisten. Piet sprak ons toe vanaf het podium . Piet: “Hoewel de vrouw veel meer ritmegevoel heeft dan de man, moet de man leiden” Dit sloeg meteen een flinke deuk in ons toch al niet zo grote zelfvertrouwen. Daarna volgde les één: “Hoe pak ik een vrouw vast” Piet: “Niet zo!” (Cor legt zijn hand op Mary’s bil). Piet: “En ook niet zo!” (Cor legt zijn hand onder Mary’s borst.) Voor ons was de lol er toen wel een een beetje af.

Daarna begon het pas echt. We begonnen met de quick step, volgens Piet omdat dat de meest gebruikte dans was tijdens feesten. Cor en Mary dansten voor en wij wisten meteen dat dit voor ons gelijk stond aan een onmogelijke opdracht. Een voor een werden de passen geoefend en al snel werd duidelijk dat het bij de heren nergens op leek. Het had nog het meeste weg van het ritmisch stampvoeten van de Amazone-indianen tijdens een vruchtbaarheidsdans. Omdat we vaak een zwaar weekend achter de rug hadden, kwam het allemaal een beetje verdoofd binnen. Daar had Piet iets op bedacht. Bij elke dans pakte hij de microfoon en ondersteunde hij ons gestuntel met een passende mantra. Bij de quick step was dit “En naar de muur en terug” waarbij het de bedoeling was dat we een halve draai richting muur maakten om vervolgens weer terug te keren naar de uitgangspositie. Bij een andere dans was het van “Hakken-tenen” , “Hakken-tenen”, “Hakken-tenen” Het hielp wonderwel. Dit nam echter niet weg dat er regelmatig paren breed gebarend tegenover elkaar stonden, elkaar beschuldigend van gebrek aan ritmegevoel, passie, soepele heupen en wat dies meer zij. In zo’n situatie kwam Gerritje in actie. Swingend kwam hij naar ons toe met de woorden: “Ik neem je vrouw wel even over”. En weg zweefde Gerritje met onze vrouw terwijl die ons gelukzalig aankeek van over haar schouder. En als we een les gemist hadden of een pasje niet onder de knie kregen, dan gaf Gerritje ons bijles . Dit gebeurde op het podium achter het gordijn. Nog jaren daarna bezigden we de uitdrukking: “Ga jij maar even achter het gordijn” in situaties waarbij onze gesprekspartner wartaal uitsloeg.

Rond een uur of negen was het dan pauze. We hadden allang door dat dat “Dansen is plezier voor twee” nergens op sloeg en dat we dat plezier zelf zouden moeten maken. Hiertoe hadden we met Henk en Lina ( de toenmalige beheerders) sluitende afspraken gemaakt . Op het moment dat Piet door de microfoon “Pauze!”riep, begon Henk met het tappen van zes glazen bier, uiteraard voor ons drie mannen. We begonnen een beetje te bekomen. Het “Zes bier” herhaalde zich nog tweemaal en onze stemming steeg zienderogen. Met kwieke tred betraden we opnieuw de zaal, waar onze stemming echter meteen omsloeg. Piet zei nl: “En dan is het nu tijd voor partnerruil!” Huh? Het waren dan wel de wilde jaren zeventig, maar dit ging ons toch een aantal bruggen te ver. Het bleek mee te vallen. Het kwam erop neer dat het de bedoeling was dat we met een vrouw zouden gaan dansen die niet onze eigen partner was. Volgens Piet kwam dat in het echt ook voor, iets waarover wij door ons vluchtgedrag niet konden meepraten. Het volgende halfuur werd de mens in al zijn hulpeloosheid getoond. Verschil in paslengte, verschil in lichaamslengte, vrouwen die per se wilden leiden, kortom het trok nergens op.

De weken erna kregen we telkens een andere dans voor de kiezen. Achtereenvolgens kwamen aan de beurt: de Engelse Wals, de Cha cha Cha, de jive, de vleta, de polka en de klapper: de Tango. Deze laatste dans vroeg naast de beheersing van de passen ook een hoge mate van passie en gelaatsexpressie, iets waarmee we nou niet echt vertrouwd waren.. Enfin, zo werkten we ons door de winter en werd het voorjaar. De lessenserie werd afgesloten met een feest waarbij we ook introducé’s mee mochten nemen. Uiteraard werd er gedanst en namen we deze keer een langere pauze. In zijn slotwoord bedankte Piet ons voor onze inzet en gaf eerlijk toe dat hij vaak gedacht had dat sommigen van ons het nooit zouden leren. Nou, dat gevoel deelden we.
In september meldden we ons bij Piet voor de cursus voor gevorderden.

Klik op de foto voor een vergroting.

11.

DE BAKERMAT VAN HET HANKSE WIELRENNEN.

Niet Bauk en Lau, maar Wout en Wim (*) waren onze idolen. Nauwgezet volgde we hun verrichtingen  via de radio en de krant. En dan hadden we natuurlijk onze plaatselijke favorieten: Martien, den Bakker, van Jan van Diene, van der Pluijm, en natuurlijk Jos van Boxtel. Jos woonde “teinde de huskes” en vanaf de dijk konden we de woonkamer inkijken waar de door Jos gewonnen bekers  prominent stonden opgesteld. Dagelijks stonden we voor het aanplakbiljet op de cafédeur bij Piet Heymans: “Tweede Pinksterdag, de 6e wielerronde van Hank voor aspiranten, nieuwelingen, amateurs en onafhankelijken”. Bij elke categorie stonden de plaatselijke favorieten vermeld. Het was duidelijk: we waren in de greep van het  wielervirus.

Echter, geld voor een echte renfiets was er niet dus besloten een aantal jongelui maar om de eigen fiets aan te passen. Natuurlijk moest het een fiets worden met een “hangstuur”. Dus gingen zij met hun fiets naar Cees de Gast die een fietsenzaak op het Julianaplein had en gaven opdracht om het stuur los te branden en het ondersteboven weer vast te lassen. Cees was er de man niet naar om te vragen of zij hiervoor toestemming hadden van hun ouders en deed zwijgend wat er van hem gevraagd werd. Vervolgens richtten zij hun aandacht op het verzet. Ze wisten dat het iets te maken had met de kamwielen, maar veel kon je er verder niet aan doen.  De handrem moest nog worden uitgevonden, dus had je óf een fiets met terugtraprem óf een doortrapper. De laatste had als voordeel dat je  je snelheid  lekker vasthield als je eenmaal op gang was, maar had als nadeel dat je na de finish zo’n beetje halverwege Dussen tot  stilstand kwam. Tenslotte moest alle overtollig gewicht verwijderd worden: koplamp, bagagedrager, kettingkast enz moesten wijken voor het hogere doel: meedoen aan het wielrennen rond het Warmondplein.

Op lange warme zomeravonden verzamelden zich tientallen jongemannen voor het huis van Jan van Dinteren op het Warmondplein. Diens zoon Arnold (Nol) bezat als enige een echte renfiets en was hiermee onmiskenbaar in het voordeel..  Het parcours was het rondje rond het grasveld. Lekker overzichtelijk, je kon elkaar overal zien. De Warmondstraat en de Zalmstraat moesten nog worden aangelegd en autoverkeer was er niet of nauwelijks.

De enkelingen die van hun ouders geen toestemming hadden gekregen om hun fiets om te bouwen, werden  aangewezen als speaker van dienst. Er werd meestal gereden in  manches van tien rondjes. Natuurlijk vervulden ze deze rol met verve” Nog acht!”, “nog drie!”etc  en  af en toe gooiden ze er een “Heren renners, bij terugkeer premie op de meet” tussendoor, maar daar werd nauwelijks acht op geslagen door het peloton. Als ze zich begonnen te vervelen, gooiden ze er een “Muziek van radio Hessels”  tussendoor. Valpartijen kwamen regelmatig voor. Dat kwam doordat er nogal wat zand in de bochten lag, maar vooral door de fietsers met doortrappers omdat die geen greep hadden op de wielerwet: “trapper hoog in de binnenbocht”  Meestal bleef de schade beperkt tot wat schaafwonden of een tand door de lip. Bij elke valpartij riepen ze natuurlijk: “Annie van Dalen, EHBO!”

Hoe het peloton ook zijn best  deed, Wimke Prinsen, de kleinste van ons allemaal, won altijd. Dat werd door ons zonder meer geaccepteerd, het was voor ons allang duidelijk dat we hier te maken hadden met een uitzonderlijk talent dat met kop en schouder uitstak boven onze toch ook niet geringe kwaliteiten. Het wielrennen rond het Warmondplein leidde uiteindelijk tot  een fantastische generatie Hankse wielrenners,  maar daarover een andere keer.

(*) Wout Wagtmans en Wim van Est

10.

TREKKEN EN BOREN: IN DE STOEL BIJ TANDARTS MIJNLIEFF.

Halverwege de jaren vijftig was het maar droevig gesteld met onze gebitten. Volgens deskundigen had dat te maken met kalkgebrek bij onze zwangere moeders tijdens en na de oorlog. Daar kwam nog bij dat tandenpoetsen nu niet bepaald in onze dagelijkse routine zat. Pas rond het tiende jaar gingen we voor het eerst naar de tandarts en dat omdat we kiespijn hadden (tanden hadden we kennelijk niet). Vaak was het gebit dan al niet meer te redden, zodat menige Hankse jongeling al rond zijn twintigste rondliep met een klapperend kunstgebit. De röntgenfoto, de wortelkanaalbehandeling, kronen en bruggen, de fluorbehandeling en de  schooltandarts moesten allemaal nog worden uitgevonden.

Laten we eens kijken hoe de tandartspraktijk er pakweg eind jaren vijftig in Hank uitzag. Tandarts van dienst was Mijnlieff,een Werkendammer, die wekelijks op woensdagmiddag praktijk hield in het Wit-Gele Kruisgebouw aan het Warmondplein. Zo rond een uur of twee ’s middags gooide Garris Heere, de beheerder van het wijkgebouw , de wachtkamer open. In vlot tempo stroomde de wachtkamer dan vol, waarbij het zaak was om goed in de gaten te houden wie er voor en na je binnengekomen was.  Vaak hoefden de wachtenden zelf niet naar de tandarts maar gingen ze een nummertje halen voor hun ouders of broers en zussen. Dat was een lange zit, want de tandarts arriveerde pas rond een uur of halfvijf in zijn Mercedes. De apparatuur, de assistente en de jachthond werden uitgeladen en installeerde Mijnlieff zich in de behandelkamer. Dan ging de bel (denk hierbij aan het geluid van een alarmsignaal bij een ontruimingsoefening) en konden de nummertjes afgehaald worden. Het waren emaille plaatjes waarop de sporen van jarenlang menselijk lijden al duidelijk zichtbaar waren.

In vlot tempo werden er dan zo’n dertig plaatjes uitgegeven, wat in de loop van de avond opliep naar nummer vijfenvijftig of zo. Enfin, de bel ging en nummer een mocht naar binnen. Af en toe kwam er iemand van buiten en  stak zijn hoofd door de deur van de wachtkamer met de vraag “Welk nummer is er binnen” Het antwoord was dan steevast: “Nummer vijf” of “Hij zit net te eten” Als je dan nummer drieënveertig had dan wist je dat je nog ruim de tijd had om naar de avondtraining van Be Ready te gaan of naar een aflevering van Bonanza op de BRT te gaan kijken.

Enfin, eindelijk was het dan je beurt om naar binnen te gaan, sommige dingen moesten nu eenmaal. In de spreekkamer stond Mijnlieff je al op te wachten: witte jas, strenge blik en gereedschap in de hand. Het was duidelijk: vluchten kon niet meer.  Daar stond De Stoel en daar moest je in.  Al struikelend over de hond nam je plaats in de stoel.  Mijnlieff was een man van weinig woorden:  zeggen wat hij ging doen, laat staan een behandelplan doorspreken was er niet bij. De communicatie met je beperkte zich tot een “Verder open!!” en”Stilliggen!!” En tegen de assistente hooguit: “Extractie 28” en “amalgaam aanmaken” Ondertussen was het in de behandelkamer een komen en gaan van mensen die zonder kloppen en de hond maar net ontwijkend binnenkwamen om een emaille nummertje op te  halen. Het was voor de binnenkomers duidelijk:  hier lag een mens die in al zijn hulpeloosheid werd getoond. Mijnlieff beschikte slechts over twee technieken: boren en trekken, met een voorliefde voor de laatste. Hierbij verrichtte hij slechts èèn handeling per  week per patiënt, waardoor je een week of tien terug moest komen voor het gebit enigszins op orde was..

Maar laten we teruggaan naar de wachtkamer. Het moge duidelijk zijn: hier heerste de angst.  Het rookverbod werd massaal overtreden en iedere keer als de bel ging stuiterde iedereen op zijn stoel. Er werd niet veel gezegd, hooguit horrorverhalen over die keer dat hij met de boor een wang had doorboord of die keer dat hij een afgebroken kies had moeten uitbeitelen(!!)De stilte werd slechts vestoord door het geluid van De Boor. “Hij komt aan de beurt”, zeiden we dan tegen elkaar. Naast de angst heerste er chaos in de wachtkamer. Dat zat zo. Patiënten bij wie een tand getrokken moest worden kregen een verdovingsspuit en de boodschap om over tien minuten terug te komen. De halve wachtkamer zat dus vol met verdoofden en je moest zelf maar bepalen of de verdoving voldoende was ingewerkt. Dat was een dilemma: te vroeg gaan betekende veel pijn bij het trekken en te laat gaan evenzeer. Pas als iemand onverstaanbaar begon te wauwelen dan zeiden we: “Zeg, wordt het niet eens tijd om naar binnen te gaan.! En als de patiënt weer buitenkwam, (bloed in de mondhoeken en op het overhemd) vroegen we meelevend: “En, hoe was het?” Het antwoord was altijd hetzelfde: “Volgende week terugkomen”.

En zo vorderde de avond.  De jachthond was inmiddels achter de oliekachel in slaap gesukkeld. Tegen een uur of tien was de laatste patiënt “geholpen” en kon de assistente de boel in gaan pakken. Ook voor ons gloorde er hoop. Na een keer of tien in de stoel gelegen te hebben,  de mond deels ontdaan van tanden, deels gevuld met lood, achtte Mijnlieff de tijd rijp om het predicaat “gesaneerd” op ons voorhoofd te plakken. Vanaf die tijd hoefden we slechts halfjaarlijks op controle en werden de behandelingen betaald door het ziekenfonds.  Andere tijden, pijnlijke tijden.

Klik op de foto voor vergrotingen.

9.

GO!  PIET!  GO!

Vroeger werd het groenonderhoud in het dorp gedaan door de “gemeentewerkers”. Geen misverstand, dit was geen negatieve benaming, we hadden geen andere. Tegenwoordig heten ze bij de gemeente “medewerker buitendienst” maar het komt op hetzelfde neer. Naast het groenonderhoud en het doen van alle voorkomende reparaties hadden ze ook de functie van BOA. Je waagde het niet om een voet op het plantsoen van het Warmondplein te zetten, want je werd door drie gemeentewerkers in de gaten gehouden: Toon Kievits, Cees Prinsen en Gert van Dortmont. Je liet het ook wel uit je hoofd om in een lantaarnpaal te klimmen, of nog erger uit te trappen.

Op enig moment besloot de gemeente dat het groenonderhoud geen kerntaak van de gemeente meer was: het openbaar groen werd uitbesteed of geprivatiseerd door bv de sportverenigingen.

Op dat moment verscheen de WAVA , later GO!, in het straatbeeld. En dan komen we Piet tegen, over Piet de Wit hebben we het dan natuurlijk. Elke Hankenaar heeft wel het volgende beeld op zijn netvlies: Piet in afgeknipte spijkerbroek, bruine benen, gebronsde blote torso en wapperende zwarte manen. Het moge duidelijk zijn: dit was de zomerdress van Piet. Zijn wintertenue bestond uit spijkerbroek en houthakkershemd.

Je ziet de mannen van Go! overal in het Hankse straatbeeld, meestal een ploegje van een man of vier bij elkaar: bij de vijver bij het klooster, rond Uivernest en Dotter en in zowat alle groenstroken in de wijken. We zeggen “meestal in groepsverband”, want er zijn er ook die liever alleen werken. Elke zomer verschijnt er een medewerker in de groenstrook in onze straat. Om half acht wordt hij door het busje afgezet. Hij steekt eerst een verse sigaar op, kijkt eens peinzend naar de hemel en begint dan met overgave het vuil te verwijderen tussen het kruipspul. Tegen negen uur wordt hij opgehaald door het busje voor een onderbreking van veertien minuten. Ja, u leest het goed: veertien en geen vijftien. Deze “onderbreking” wordt nl. aangemerkt als werktijd. Dit herhaalt zich rond twaalf uur en rond drie uur.

De WAVA/GO gaat met zijn tijd mee: tegenwoordig dragen de werknemers herkenbare werkkleding: groen uiteraard en daar overheen het verplichte oranje hesje. Dus geen korte broek meer voor Piet.

Volgens hem heeft dit ook met veiligheid te maken: de kleding geeft nl bescherming tegen tekenbeten. Piet kent iedereen in het dorp en neemt ruimschoots de tijd om met voorbijgangers een praatje te maken. En voor het geval  zijn baas dit leest: Piet gaat impesant wel gewoon door met zijn werk. Piet is uitstekend op de hoogte van het wel en wee in het dorp en als hij dan onze verbaasde blik ziet, dan is het van: “Witte gij da nie?” “Das den dieje van den dieje, die getrouwd is met die van” Soms valt Piet hier even stil en moet hij in zijn geheugen tasten om de juiste naam te produceren, maar dat lukt uiteindelijk altijd.

Tegen vier uur zien we het busje een “opruimrondje” rijden. Het bijeengeharkte groen, het zwerfvuil bij het containerpark, de rommel rond de voetbalkooi, het wordt zonder veel plichtplegingen opgeladen en afgevoerd. Net zoals ze dat trouwens doen met op straat gegooide kerstbomen, verpakkingen van vuurwerk, de serpentines van de carnavalsoptocht en het afval na de kermis.

We kunnen er kort over zijn: deze mannen doen fantastisch werk. En toch: deze mensen dreigen als het aan de staatssecretaris ligt te verdwijnen uit het straatbeeld. “In dienst bij een gewone werkgever” heet het tegenwoordig. “Dat is beter voor ze”, zeggen de beleidsmakers. Gelooft u het?

8.

LEVE DE HANKSE KERMIS:  DE BOKSTENT

Oh heerlijke jongenstijd!  Half jaren vijftig en nog een leven voor ons. Wat kon een jongen meer wensen dan het kermisterrein voor zijn school te hebben: locatie Julianaplein. Elke vrije minuut waren we er te vinden en menigeen droomde van “meegaon met de kermismiese.”  Als we dat thuis opperden werden we ronduit uitgelachen en was het van “Zorgde gij nou irst mar dagge overgaet”. Einde discussie.

Onze favoriete attractie (naast de luchtschommels) was de bokstent die meestal met de rug naar het schoolgebouw werd opgebouwd.  Tijdens de kermis  werden op  gezette tijden  op het podium (zie foto) een soort sneak preview gegeven waarbij de verschillende vechtdisciplines gedemonstreerd werden, uiteraard met de bedoeling ons de tent in te lokken. Zo was er altijd een glimmende neger die zich stond uit te leven op een  boksbal.  Daarnaast een man in een judopak die onduidelijke (schijn-)bewegingen stond te maken. Verder een forse knaap in een worstelpak die zijn spierbundels liet rollen.  Even verder een gewichtheffer die met gemak een halter van honderd kilo stond te tillen, althans dat stond op de bollen aan de uiteinden van zijn staaf.  Onder de tonen van vrolijke marsmuziek vertoonde ieder in  zijn eigen discipline zijn kunsten. Als de muziek abrupt stopte was het aan de speaker om elke vechtersbaas en zijn specialisme voor te stellen aan het inmiddels talrijk  toegestroomde publiek. Vervolgens was het zijn taak om het publiek naar binnen te lokken. Maar ook om mensen uit het publiek uit te dagen het op te nemen tegen respectievelijk worstelaars, boksers, en judomannen. De uitdagers werd een forse premie in het vooruitzicht gesteld als ze erin zouden slagen hun tegenstander buiten gevecht te stellen. Helaas er was weinig animo onder het publiek. Soms was er een overmoedige zevendeklasser of iemand die recht uit de hoogmis aan het kermisvieren begonnen was en waarschijnlijk de tegenstander al meer dan dubbel zag. Het behulpzame publiek wist de waaghalzen er meestal van te weerhouden de ring te betreden.

Uiteindelijk werden er dan toch een paar vrijwilligers gevonden en werden wij langs de kassa geleid om het spektakel te gaan aanschouwen. Dan begon het pas echt goed. Hoogtepunt was de match catch-as-catch-can, een variant op het huidige freefight.  Op dat moment kwam Johnson (zie noot onder) in de ring. Een bonkig mannetje, gekleed in zwembroek met tijgerprint, ringbaardje,  en altijd op sandalen.  Het was al snel duidelijk: dit was de kwaaierik. Hij ontstak bij voorbaat in razernij en maakte aanstalten om de ring uit te klimmen om de uitdager  buiten de ring ter plekke af te maken. De toon was gezet, uitbundig  boegeroep was zijn deel. Dan begon het gevecht en hier toonde  de gemenerik zich van zijn slechtste kant. Telkens als hij in een wurggreep belandde wist hij het tij te doen keren. De ene keer door een fluitje uit zijn zwembroek te toveren en af te fluiten, een andere keer door zijn tegenstander met zijn sandaal op zijn kop te timmeren, zulks onder luid boegeroep van ons. Hoewel  hij bijna altijd als overwinnaar uit de bus kwam, konden we zijn bloed wel drinken.

Enfin aan elke jongensdroom kwam een einde. Tijdens een van de pauzes daagden we  Cor van Dinteren  uit een van de halters te tillen die naast de bokstent lagen. Cor was beresterk! Met één hand tilde hij de halter boven zijn hoofd en nodigde ons uit hetzelfde te doen. Inderdaad een fluitje van een cent. Verder zagen we even later in het café van Piet Heijmans twee “vrijwilligers/uitdagers ” gebroederlijk een pilsje drinken, die we eerder gezien hadden bij het opbouwen van de tent. Die zaten dus kennelijk ook in het complot. Weg jongensdroom. Wij kozen er echter nog jaren voor de illusie in stand te houden en ons te vergapen aan de edele vechtsport

*Noot:  Naspeuring op internet leverde op dat mr Johnson echt heeft bestaan en dat hij in feite Bertus Donks heette en  dat hij later nog voorzitter is geworden van de kermisbond.

De Bokstent en de Botsauto’ s op de Kermis in de Julianastraat eind jaren ’50

7.

NA SLUITINGSTIJD.

In de jaren na de oorlog groeide de bevolking explosief. Deze geboortegolf ging ook aan Hank niet voorbij. Gezinnen met vier kinderen of meer waren eerder regel dan uitzondering. De behoefte aan betaalbare woningen  was groot en zo werden in korte tijd de Elisabethstraat, de Ignatiusstraat en het Warmondplein gebouwd.  Ruimdenkende planologen hadden bedacht dat het Warmondplein het kloppend hart van het dorp moest worden. Zo waren er rond 1958 de winkels van Broer de Witt (zuivel), Pieter Vetjens (Végé, levensmiddelen) Louwke de Wit (sigaren en sigaretten) Willy Heijmans (meubeltoonzaal en later cafetaria).  Verder het Wit Gele kruisgebouw en korte tijd zelfs een school.

En dan vergeet ik nog de brandweerkazerne met op zolder het geheime vergaderlokaal van de BB (Bescherming Burgerbevolking) Deze instantie was in het leven geroepen om in het geval van een oorlog, het IJzeren Gordijn hing nog strak, de bevolking van  Hank bij te staan met raad en daad. Ons blokhoofd was Piet Laurits, volgens ons geselecteerd om zijn kennis van de Slavische talen. Dankzij Piet konden we rustig slapen in die tijd!

Terug naar ons verhaal.  In die tijd was het gebruikelijk dat Hankenaren na sluitingstijd van onze winkel (die van Louwke de Wit dus) achterom kwamen,  “volluk” riepen,  en  dan “Hedde voor mij nog…..” En dan ging het meestal om eerste levensbehoeften als sigaretten,  een pakje scheermesjes , een kammetje of een pot brylcreme. Vaak kwam er dan nog achteraan. “Schrijf het effe op..”

Enfin, we rolden de jaren zestig in en de sexuele moraal werd vrijer. Sigarenmagazijn de Wit ging mee met de tijdgeest en begon met de verkoop van Durex (‘Durex the best there is’) condooms. Natuurlijk allemaal zeer discreet en vanonder de toonbank. Dit lokte buiten sluitingstijd een nieuw publiek: jongemannen bij wie de hormonen opspeelden en die op zaterdagavond dachten dat ze zeker gingen scoren bij het welwillende vrouwvolk. Vaak bleef het bij wensgedachten, maar toch.

Laten wij een persoon voor de geest roepen die we gemakshalve “S.” zullen noemen. Rond een uur of zeven op zaterdagavond en soms ook op zondagavond (!) meldde S. zich aan de achterdeur en fluisterde dan:  “een pakske kapotjes Louwke”. En dan kwam ons finest hour door luidkeels te roepen:  “Small, Medium of Large, S?” Vervolgens zag je dan bij S. de twijfel toeslaan. Aan de ene kant was er de anatomische realiteit die tussen zijn benen bungelde (maatje pink) en aan de kant zijn zorgvuldig gekoesterde imago van stoere jongen die pretendeerde dat hij aan elke vinger wel tien meisjes kon krijgen. Je zag hem dan even aarzelen en dan was het van  “Doe maar large” We vonden het niet onze taak hem erop te wijzen dat die dingen dan af konden glijden met alle gevolgen van- dien.

Menig Hankse jongeman heeft dankzij de hulp van Sigarenmagazijn de Wit de eerste stappen kunnen zetten op het amoureuze pad. Graag gedaan!

Noot 1: De personen op de bijgevoegde foto komen niet voor in dit verhaal.

Noot 2: Al die Hankse opa’s die nu denken dat hun voorhuwelijkse escapades bekend worden kunnen gerust zijn: Sigarenmagazijn de Wit, discretie verzekerd.

Sigarenmagazijn Louwke de Wit met de ingang nog aan het Warmondplein

6. 

EEN VERGETEN OORLOG:  DE STRIJD TEGEN DE FÈRSEN.

Als we niet gingen vissen, voetballen  of vliegeren, dan gingen we naar Het Lager. Het betrof hier een woeste zandvlakte aan de overkant van de brug, achter de marechaussee-kazerne. In de loop der jaren was het terrein begroeid geraakt met bomen en struiken en het was onze speeltuin bij uitstek. Je kon er in bomen klimmen, bomen omhakken, hutten bouwen, valkuilen graven, vuurtje stoken, konijnen uit hun hol roken, kikkers opblazen etc. Kortom, al die dingen die jongens van die leeftijd doen, sorry, deden.

Een paar keer per jaar werd onze idylle wreed verstoord door de komst van de Fersen. Het betrof hier een raar volkje dat aan de overkant van de Maas woonde. Ze waren een kop groter als wij en spraken een taaltje waar we niks van snapten. Bovendien noemden ze Het Lager: Het Stort. Helemaal fout natuurlijk.  Zij beschouwden Het Lager als hun natuurlijke biotoop en staatsrechtelijk hadden ze natuurlijk een punt: het was Fers grondgebied.

Meestal bleef het bij wat verbale verwensingen over en weer, maar als het tegenzat dan werden we gevangengenomen. Dat kwam vooral doordat ze een kop groter waren, hun getalsmatige overwicht, maar ook omdat ze onze aftocht konden blokkeren door simpelweg op de brug te gaan staan. “Oepoekniee” zeiden de Fersen dan. We snapten er niets van. Tot een van de Fersen het voordeed en we begrepen dat we op onze knieën moesten gaan zitten. Vervolgens wisten de Fersen niet wat ze met ons aan moesten. Soms speelden ze “krijgsgevangenkampje”. We kregen dan wat meer bewegingsvrijheid maar moesten wel achter het denkbeeldige prikkeldraad blijven. Tegen vijf uur zeiden de Fersen tegen elkaar: “We gaon nar hois” We begrepen dat ze dan naar huis gingen.

Èèn keer liep het echter behoorlijk uit de hand. We waren weer eens gevangengenomen en werden gevangelijk afgevoerd naar de bunker bij de oprit naar de brug. Binnen was het pikkedonker. In het verleden had men geprobeerd de bunker op te blazen maar dat was behoorlijk mislukt. De bunker stond er nog, maar binnenin gaapte een metersdiep gat waaruit gemeen betonijzer stak. Gerard, zoon van Franske (de Zanger) van de Pluijm had de pech in het gat te vallen waarbij het betonijzer zijn kuit doorboorde. Die keer mochten we eerder “nar hois”

Wij met Gerard naar dokter Eulderink die zijn praktijk had tegenover de latere school in de Elisabethstraat. Eulderink wreef eens in zijn handen want dit was een buitenkansje. Energiek ging hij in de weer met wondpoeder, naald en draad en zo’n twintig meter verband. Op dat moment besloten we dat we ook dokter wilden worden. Met een fraaie kruissteek werden de  lappen vlees, onverdoofd , weer aan elkaar genaaid. Gerard joekerde. We zeiden dat hij zich niet zo aan moest stellen. Zijn  been werd van enkel  tot kruis in het verband gerold. Als toetje kreeg hij nog een spuit van  een centimeter of tien in zijn kont  gejast en kregen wij de opdracht om Gerard af te leveren bij Franske en Betsie in de Ignatiusstraat. Daar waar Gerard gerekend had op enige compassie van zijn ouders, kreeg hij de wind naar voren. Hij werd teruggestuurd naar het Lager om verhaal te halen bij de Fersen. “De Fersen zijn “nar hois” moesten wij tot drie keer herhalen.

Enfin, de volgende dag verscheen Gerard met zijn ingepakte been op het schoolplein. Het verhaal had allang de ronde gedaan, goed nieuws verspreidt zich immers snel.  Meteen werden er plannen gesmeed voor  een strafexpeditie  tegen de Fersen maar bij mijn weten is dat er nooit van gekomen. Gerard werd voor in de klas gezet door meester Melis en mocht in geuren en kleuren zijn verhaal doen, zijn eigen heldenrol natuurlijk onderstrepend. De rest van de ochtend vertelde meester Melis over zijn rol in het verzet, maar dat is weer een ander verhaal. En de kerndoelen?, lesrooster?, inspectie? Ach,  andere tijden.

Met het kleiner worden van het verband rond het been van Gerard verslapte ook onze aandacht. Dat was helemaal het geval toen in de Julianastraat voor het eerst een echte vuilniswagen verscheen. Eentje waarvan de laadbak spectaculair kon kantelen tot hij verticaal stond.

Epiloog. Nog steeds kijken we bij de Veerse Dag spiedend om ons heen of we een van onze belagers van weleer ontwaren. In dat geval zullen we hem de hand schudden en voorstellen om samen een pilsje te gaan drinken. Immers, de tijd heelt alle wonden. Littekens:  dat is een ander verhaal, die draag je je leven lang met je mee.

De brug van Keizersveer en de zandvlakte aan weerszijden van de oprit. Op de andere foto poseert mevr. de Baar voor een bunker (kazemat) tegen het talud van de oprit van de Keizersveerse brug. Deze kazemat werd gebouwd ter luchtverdediging van de brug in 1938. Hij heeft echter nooit zijn dienst bewezen als verdediging van de brug. Wel werd er door de Duitsers eind oktober 1944 dankbaar gebruik van gemaakt omdat ze bestookt werden door de Engelsen aan de overkant van de Maas.

5.

“LEG HEM MAAR NAAST DE VOORDEUR!”
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Hank in de winter van 44/45 de frontlinie. Resultaat: het dorp in puin, maar ook……talloze onontplofte granaten. Na de oorlog werden de sloten aan de Buitendijk uitgebaggerd en dan kwamen er regelmatig blindgangers mee naar boven. Uiteraard stonden wij, kortebroekers, daar met onze neus bovenop. Gedienstig als we waren (de EOD* moest nog worden uitgevonden) sjorden we zo’n projectiel achter op de fiets en hobbelden er mee naar wachtmeester Helmonds(?) in de Julianastraat. “Leg hem maar op de stoep, dan laat ik hem van de week wel een keer ophalen” zei hij dan meestal. Tegenwoordig zouden we in zo’n geval het halve dorp evacueren.
(*EOD: Explosieven Opruimingsdienst.)

Luchtfoto van Keizersveer in januari 1945. Onderin de vernielde brug van Keizersveer. De kraters zijn de inslagen van de explosieven waarvan er sommige niet ontploften.

4.

JAILHOUSE ROCK IN HET ONDERHUIS.
Tot ca 1955 was dit gebouwtje (1913) aan de Buitendijk de brandweerkazerne van Hank. Het maakte op ons, kortebroekers, een verpletterende indruk. Allereerst natuurlijk door de “knop achter glas” waarmee de sirene in werking kon worden gesteld, We moesten elkaar nogal eens vermanend toespreken om onze handen in onze zakken te houden..Maar vooral…..door hetgeen zich aan de achterzijde van het gebouwtje bevond: de plaatselijke gevangenis, compleet met stalen deur en tralieraam. Eerbiedig noemden we dit hok het “Spinnenhok”. We sloten elkaar weleens op, maar echt gezellig werd dat nooit. In dit hok werden doorveldwachter Keller de plaatselijke dronkelappen, vechtersbazen en stropers opgesloten. Gelet op de talloze processen verbaal uit die tijd, had Keller ieder weekend “volle bak”
Foto Keller: Archiefkring Hank

Het oude brandweerhuisje op de Buitendijk met onderin de nor. Keller was een echte dorpsveldwachter.

3.

DE LAATSTE VRIJE HOND.

Als er tegenwoordig in het dorp een hond losloopt zonder baas in de buurt, dan leidt dit tot grote bezorgdheid onder de hondenliefhebbers. Dat was vroeger anders. Wellicht is enige uitleg op zijn plaats. Allereerst moeten we vaststellen dat raszuiverheid vroeger niet bestond. De Hankse honden vormden een grote kluwen DNA, veroorzaakt door aangenaam paringsgedrag op straat, waardoor we slechts kunnen spreken van: “een soort boxer” of “een soort herdershond” etc. Als we een indeling maken naar de mate van vrijheid die deze honden genoten dan komen we tot: a. De Onvrije Hond, b. De Halfvrije Hond en c. De Vrije Hond. Achtereenvolgens zullen we aandacht besteden aan deze classificatie.

De Onvrije Honden (beklagenswaardig) leken nog het meest op de tegenwoordige honden: gehoorzaam naast de baas sjokken, de verplichte dingen doen, smachtend kijken naar een passerende reu. Kortom, verder geen woorden aan vuil maken.

Dan waren er de Halfvrije Honden. Deze honden wisten van tijd tot tijd aan hun baas te ontsnappen om zich over te geven aan het losbandige leven van de Vrije Honden. Een voorbeeld van dit type was de hond van Sjef Leseman, Cuno genaamd, een soort boxer. Leseman was een hartstochtelijk jager maar voor de jacht was Cuno totaal ongeschikt, want hij was “bang voor het schot” Normaal lag hij te soezen in zijn mand in de wachtkamer van de dokterspraktijk, maar van tijd tot tijd wist hij te ontsnappen en ging hij het gevecht aan met de Vrije Honden. Een keer ging de strijd zover dat hij een forse reu wist te ontmannen, hetgeen hem de bijnaam “Cuno de ballenbijter” opleverde, een geuzennaam die hij zijn hele leven waardig gedragen heeft.

Dit brengt ons bij de Vrije Honden. Deze honden lieten zichzelf uit, markeerden hun territorium, snuffelden her en der eens aan een kruis, liepen achterlangs bij de buurvrouw naar binnen, vraten de bak van de buurhond leeg om zicht vervolgens met een schorre blaf weer aan de voordeur te melden. Regelmatig waren deze Vrije Honden een paar dagen uithuizig, zeker als er zich in het dorp een loopse teef ophield. Ongeëvenaard in deze activiteit waren de honden van Arie Oldenburg en Gertje van Velthoven. Qua ras was het een soort Drentse Patrijs. Dagen konden ze in de voortuin liggen, smachtend kijkend naar de voordeur. Omdat we de namen van de honden niet kenden zeiden we tegen elkaar. “Kijk, Arie Oldenburg ligt weer in de voortuin” Daar lagen ze dan in weer en wind te smachten naar een loopse teef om dan na een paar dagen, sterk vermagerd en met de kop tussen de schouders af te druipen naar huis.

Een paar keer per jaar verzamelden de Vrije Honden zich(allemaal reuen) op het Kerkplein voor een stevige wandeling door het dorp. Behalve dat dit zeer gezellig was, was het ook erg leerzaam voor de jonge Vrije Honden. Met voorop de testosteron-reuen van Oldenburg en van Velthoven deden ze een rondje dorp waarbij ze de nodige aanwijzingen gaven. In de Kerkstraat: “Kijk” zeiden ze dan “pas op, daar woont een man met een buks” en in de Julianastraat: “Daar zit een lekkere teef”. En op de Buitendijk bij het architectenbureau van Charles Schoorl: “Pas op, bij Charles kun je je mannelijkheid verliezen” (zie noot)
De tijden zijn veranderd, er zijn bijna geen Vrije Honden meer. Nee, er zijn nu hondenuitlaatstroken, poepzakjes, controlerende BOA’s, allemaal zaken waar de Vrije Honden van gegruwd zouden hebben. We zeggen “bijna” want er is nog èèn Vrije Hond die met verve invulling weet te geven aan het begrip “Vrije Uitloop”: namelijk de soort spaniel van Koos, van Johan van Cope, van de Pluijm in de Kerkstraat. Deze hond weet waar hij mee bezig is!! Hij is op weg!! (vaak van de Oranjepolder naar de Kerkstraat) Op zijn schouders rust de erfenis van alle Vrije Honden.!! Hij doet dit met verve!! Laat hem met rust!! We zijn trots op hem!!!

Noot 1 Later bleek dat de Vrije Honden een geweldige inschattingsfout hadden gemaakt bij het architectenbureau van Charles. Charles was niet de boosdoener, maar de in het onderhuis gevestigde dierenkliniek van Rienks, Keller en Siebesma. Inderdaad heeft menige Vrije Hond daar zijn mannelijkheid verloren.

Noot 2. Degenen die zich verder in het leven van de Vrije Hond wensen te verdiepen, moeten eens kijken naar de tekenfilm: “Alle honden gaan naar de hemel”. Tissues onder handbereik houden!!

De winkelhond van Thea van den Elshout-de Wit

2.

HOE WARM HET WAS EN HOE VER.
Eind juli jaren vijftig en… …nog geen schoolvakantie. Bloedheet kon het zijn. De mussen vielen van het dak en de inkt kookte zowat in onze inktpotten in onze jongensschool aan de Julianastraat. In wijsheid werd dan door het schoolmanagement besloten om na de middag de lessen te staken en te kiezen voor een pittige gezamenlijke schoolwandeling. Dat vonden wij allang prima, alles beter dan les. We werden opgesteld op het schoolplein: meester Weterings voorop (afremmen) daarachter de klassen oplopend van een naar zes , terwijl de rij gesloten werd door de zevendeklassers (voor wie de eeuwige vrijheid lonkte) en meester Willemsen (opduwen).
Gezwind vertrokken wij, niet vermoedend dat het weleens een middag zou worden met zware ontberingen, want “drinken mee” was iets voor meisjes en watjes. Niet voor niets waren we een jongensschool. De stoep op en rechtsaf richting Kamersteeg. Bovenaan de stoep stond Drik Vetjens die in een geanimeerd gesprek was met een klant die een bus petroleum kwam halen. Ter hoogte van de Kamersteeg was onze formatie reeds een langgerekt lint, ondanks de pogingen van meester Weterings tot afremmen en die van Willemsen tot opduwen. Halverwege de Kamersteeg wezen de zevende jaars elkaar samenzweerderig op het vrijerslaantje waar volgens hun oudere broers elke avond achter elke knotwilg tientallen paartjes lagen te copuleren.
Op de betonbaan van de Straatweg zegen de eerste uitvallers neer in de berm, vermoedelijk door een combinatie van zonnesteek en uitdroging. Derhalve kregen we de instructie om knopen te leggen in onze zakdoek en die op onze kop te leggen. Helaas beschikte slechts een minderheid van ons over een dergelijk nutteloos attribuut. Verder dus. Linksaf de Buitenkade op. Ter hoogte van het gemaal zagen een groot aantal van ons scheel van de dorst, hoewel dat bij sommigen nauwelijks opviel. “Als we om vier uur niet terug zijn, lopen jullie in eigen tijd”, sprak meester Weterings dreigend.. Dat sneed hout. We raapten onze laatste krachten bijeen en sleepten ons de Buitendijk op. Drik was nog steeds in gesprek met zijn klant (tijd had in die jaren een andere dimensie). “Zo jongens, lekker gewandeld?” vroeg hij. Een vernietigende bik van ons was slechts zijn deel en sommigen moesten ervan weerhouden worden om Drik vol te pompen met zijn eigen petroleum
Enfin, rond vier uur waren we weer op school. We haastten ons naar huis, gristen onze zwembroek van de lijn en repten ons naar Het Gat om te gaan zwemmen.

De r.k. Jongens school in de Julianastraat (thans Verpleeghuis Aernswaert)

1.

DE FANFARE VAN VEEL HONGER MAAR OOK (VEEL) DORST.

1958. De gemeenteraadsverkiezingen in de gemeente Dussen waren net achter de rug. De KVP had weer eens stevig gewonnen, tot zover niets bijzonders dus. In die jaren was het een goed gebruik dat de fanfare een serenade ging brengen aan de pasgekozen Hankse raadsleden. Op een zaterdagmiddag in april zou het gaan gebeuren. Tegen twee uur verzamelden we ons op het Kerkplein. De sfeer was landerig. We hadden die morgen allemaal nog gewerkt. Daar kwam nog bij dat het een van die lentedagen was waarop de lente onverbiddelijk toesloeg. (Tegenwoordig zouden we dat rokjesdag noemen). We hadden allemaal onze lange onderbroek en borstrok nog aan en al snel liep het zweet over onze rug. Omdat de vorige huldiging vier jaar eerder stevig uit de hand was gelopen, had de secretaris, Anton Wintermans Buitendijk , een strak schema opgesteld dat ons uiterlijk om 17.00 uur weer naar het Kerkplein zou brengen. We stelden ons op op het Kerkplein.

Als eerste sprak raadslid Toon van Velthoven.(Kerkstraat) Hij beloofde zich in te zetten voor het Hanks belang …. èn dat van de boeren. Dit boeide ons maar matig, we hadden immers geen boeren binnen onze gelederen. Hierna was Frans Hanegraaf (Kerkstraat) aan de beurt. Hij beloofde zich in te zetten voor het Hanks belang…. èn te zorgen voor tenminste twee postbestellingen per dag. Ook hier werden we niet warm van. Nu was het goed gebruik dat de gekozen raadsleden ieder een tweetal consumpties aanboden aan de leden van de fanfare, zo ook die middag op het Kerkplein. De secretaris maande ons dat we nu toch echt verder moesten. In keurige formatie marcheerden we naar het Warmondplein: voorop Dorus van Ham met het vaandel (fier) daarachter Joske van Delft die de grote trom torste (gebukt). Daarachter het lichte koper met Louke de Wit, Adriaan van Erp, Antoon Wintermans, Koos Leemans etc.. Dan de kleppenmannen (*) Leo en Adriaan Weterings, terwijl onze formatie gesloten werd door het zware koper met de bassen van Piet Verhoeven en Knellis van Erp. De stemming was inmiddels aanzienlijk verbeterd. Op het Warmondplein zetten we Cees (Keske) de Wit in het zonnetje. Keske beloofde zich in te zetten voor het Hanks belang…..èn ervoor te zorgen dat Wim van Est naar de wielerronde van Hank zou komen.(Keske was secretaris van het wielercomité) Dit kon op onze instemming rekenen. We incasseerden zonder tegenzin onze consumpties en Louke de Wit die naast Keske woonde, bood de leden met een volle blaas een gastvrij onderdak.

In een iets minder strakke formatie marcheerden we naar de Buitendijk waar “teinde de huskes” Giel Olieslagers woonde. Giel stond ons al op te wachten op de dijk en vroeg zich al een uur af waar we bleven. We speelden onze serenade, hetgeen door Giel zichtbaar gewaardeerd werd. Hij beloofde zich in te zetten voor het Hanks belang……èn bij de gemeente een subsidie aanvraag in te dienen voor nieuwe petten. Dit genereuze gebaar werd met brede instemming begroet en…proost!! Enkele leden stelden voor om het hier maar bij te laten en de volgende zaterdag maar door te gaan met de huldiging. Geen sprake van vond de meerderheid. Dus daar gingen we weer: langs de Rooie Wiel, Straatweg en zo naar de Jachtlaan waar Jan Achterberg woonde. Onderweg moesten we meermaals een sanitaire stop inlassen en enkele dorstige leden moesten ervan weerhouden worden om snel even binnen te wippen in het café van Lee de Gast. Jan was een beetje een twijfelgeval want hij woonde halverwege Dussen. Jan beloofde zich in te zetten voor het Hanks belang……èn dat van Egypte. Het politieke talent Cootje was immers nog niet ontdekt en iemand moest het doen!! We namen de tijd om onze consumpties te nuttigen en inmiddels lagen we ruim achter op ons schema, het liep tegen zessen.

Daarna volgde een loodzware etappe. We moesten immers naar Snoek senior die in de villa Geffelhoek aan de Straatweg woonde. Van een gesloten formatie was allang geen sprake meer. Her en der liepen plukjes muzikanten op de Kortveldse Steeg. Dit kwam vooral door de vele sanitaire stops, de geanimeerde gesprekken en door het feit dat leden herhaaldelijk terug moesten omdat ze hun pet of instrument in de slootkant hadden laten liggen. Tegen zeven uur bereikten we de Geffelhoek. Snoek senior beloofde zich in te zetten voor het Hanks belang…. èn dat van de jagers….èn ervoor te zorgen dat Harrie Berm senior ons kwam ophalen met de taxi. Dat laatste werd door ons met gejuich begroet. En terwijl de zon langzaam onderging steeg de stemming naar een hoogtepunt. Lou van Erp speelde “Alte Kameraden” op zijn tuba, Koos Leemans zette “En we gaan nog niet naar huis” in, en de gebroeders Weterings waren het voor het eerst in vijfentwintig jaar een keer met elkaar eens. Dorus was inmiddels in een tuinstoel op het terras in slaap gesukkeld, waarbij hij het vaandel liefdevol omklemde. Het was al bijna donker toen Harrie Berm zich meldde en niet te beroerd was om een paar consumpties mee te drinken. Harrie bracht ons keurig naar het Kerkplein en konden we terugkijken op een geslaagde huldiging. De instrumenten hebben we de volgende dag maar opgehaald.
Dat het die avond oorlog was in menig Hanks huisgezin is slechts een voetnoot bij dit verhaal.

(*) Kleppenmannen: in een fanfare hebben de instrumenten ventielen. De gebroeders Weterings hadden een klarinet en een saxofoon en deze instrumenten hebben kleppen in plaats van ventielen.