Stoere Verhalen bij het Keetvuur in De Biesbosch

Verhalen bij het Keetvuur

s’-Avonds als het keetvuur brand

Verhalen rond het keetvuur. 

In de ruige Biesbosch verbleven de arbeiders in vroeger jaren in keten. Door kieren en spleten was het verblijf vooral s’ winters daar geen pretje. Geen water, geen stroom, geen toilet. Geen wonder dat ze blij waren als ze op zaterdagmiddag terug konden keren naar hun dorp Hank. Bij vroege duisternis in de winter werden ze gedwongen om al vroeg naar de keet te gaan. Daar knapperde het keetvuur, aangemaakt en onderhouden door de jongste arbeider, dikwijls nog een kind. Na het karige eenzijdige maal ging men rond het keetvuur zitten en om de tijd te dolen kwamen al gauw de verhalen los. Sommige met waarheid, sommige met veel fantasie, de een nog sterker dan de andere. Sommige verhalen zijn in ons archief gekomen door overlevering van vader op zoon. Hebt u ook nog zo, n verhaal laat het ons weten. Hieronder enige verhalen. Het waarheidsgehalte is onbekend.

Verhaal 1    De dodenakker

We schrijven 1880. In deze winter kwam ook de jeugd dikwijls bijeen in de Kerkstraat, die destijds Nieuwe Steeg heette. Bij de monumentale boerderij annex tapperij van Narriske van der Pluijm tegenover de oude kerk werd er wat gedold en gepraat. Maar algauw ging het deze winteravond er om eens wat stoers te doen. Naast de kerk lag het kerkhof. Een kerkhof was in die tijd een heilige en mysterieuze grond waar je s ’avonds als het donker was niet moest komen. Het kon er spoken op de dodenakker. Niemand die het waagde om dan het kerkhof op de gaan. Zelfs de pastoor niet. Ene Gerrit riep in de groep dat hij het wel aandurfde om even het kerkhof op te gaan. De anderen in de groep keken hem verbaasd aan. Nee, dat durf je niet. Ik wel zei Gerrit. Goed hoe bewijs je dan dat je er geweest bent? Een van de jongens holde snel naar huis en haalde een hamer en een spijker. De kruizen op de graven waren destijds allemaal van hout. Om te bewijzen dat je er geweest bent moet je deze spijker slaan in het kruis van het graf van je moeder. Nagestaard door de groep verdween Gerrit in het donker naar het kerkhof. Met knikkende knieën kwam Gerrit bij het graf van zijn moeder. Snel sloeg hij zittend op zijn knieën de spijker onder in het houten kruis van zijn moeder. Snel, heel snel stond hij op en probeerde het op een lopen te zetten. Maar een hand, diep uit de aarde, trok hem aan zijn jas. Gerrit verstijfde helemaal en stond stil. Hoorde hij de stem van zijn moeder? Hoorde hij gegil? Zelf slaakte hij een ontzettend harde schreeuw die door merg en been ging. Hij worstelde zich uit zijn jas en zette het op een lopen. De groep, inmiddels de rauwe kreet gehoord hebbende van Gerrit had het ook op een lopen gezet. Omdat hij maar één jas had moest Gerrit de andere morgen terug naar het kerkhof. Hier ontdekte hij het mysterie. In zijn haast en angst had hij de spijker dwars door zijn jas geslagen!

Uit: verhalen rond het keetvuur. Foto: Rattenkeet Jannezand. Bron: Archief stichting Archief*Kring Hank.

s’-Avonds als het keetvuur brand

Verhalen rond het keetvuur. 

Verhaal 2    Het spook

Omstreeks 1932 zaten we in de winter met een man of acht in de keet van de Benedenste Jannezand. In die tijd waren er nog veel mensen die in spoken, heksen, weerwolven en witte wijven geloofden. Een radio of krant had je niet in de keten, dus met sterke verhalen moesten we elkaar vermaken. Die avond kwamen er waarschijnlijk door de entourage, want het was buiten pikkedonker en stormachtig afgewisseld met fel weerlicht en harde donderklappen, terwijl binnen de vlammen van het keetvuur wapperden in een schemerige keet en de binten en ramen kraakten en piepten, er diverse  lugubere verhalen over moord en doodslag, spoken en geesten aan de orde.

Daardoor joegen we elkaar op de een of andere wijze angst aan. De hele ploeg zat gespannen en huiverig op de kisten en we lieten de meest huiverige verhalen op ons inwerken. Plotseling….  zagen we in de donkere nok van de slecht verlichte keet een paar felle rode ogen die ons aanstaarden. Van angst gingen onze haren als het ware over eind staan en er heerste een doodse stilte, terwijl allen onze blik op die enge felle ogen in de nok gericht hielden. Plotsklaps veerde Jaap Verdoorn, die de bijnaam van ‘soppan’ had met kracht overeind. Hij zwaaide met een rijshaak en gooide deze in de richting van de angstaanjagende vurige ogen en schreeuwde het uit: “Donder wie da ge zijt da zijde maor der aon gade” Gelijk erna klonk er een snerpende gil door de keet en er stortte iets  harigs naar beneden. Door de goed gerichte worp had de rijshaak in een klap het vermeende spook uitgeschakeld. Voor onze voeten lag een gesneuvelde kerkuil die we door alle angst en spanning voor een geest of spook hadden aangezien.

Uit: Verhalen rond het keetvuur. Bron: Thomas Westerhout “Met kist en Bultzak de Biesbosch in”

s’-Avonds als het keetvuur brand

Verhalen rond het keetvuur. 

 Verhaal 3     De Keethond

De jaren van de wederopbouw van Nederland. Er was een groot te kort aan rijshout voor het maken van hoepen voor manden en andere producten. Maar ook werden er aan de lopende band matten gemaakt voor dijkversterking want dijkonderhoud was in de oorlog sterk verwaarloosd. Hierdoor kwam het voor dat Hankse griendwerkers ver in de Biesbosch hun werk moesten verrichten. De Buisjes was zo’n griend die ver afgelegen was. Met wat geluk en goeie roeiers kon men met één tij het net halen. Een tij duurde ongeveer 5 uur. Met afgaand tij vertrok men vanaf het Sluiske richting de Buisjes. Buiten de roeiboten moest ook de rietaak worden meegenomen. Hiervoor had men minstens 4 ervaren roeiers nodig en een roerganger. Het laatste stukje was zwaar want de kracht van het tij nam sterk af naarmate de uren vorderde. Had men pech dan moest zelfs het laatste stuk tegen stroom in geroeid worden en dan deed men over een kilometer soms wel een uur.

Ook op de Buisjes stond een keet waar de mannen de hele week in verbleven. Deze keet had ook ‘vaste’ bewoners n.l. ratten heel veel ratten. Ze zaten overal en vooral s ’nachts waren die krengen actief. Ze liepen brutaal over de griendwerkers heen op zoek naar voedsel. En wee diegene die overdag zijn kist niet goed had afgesloten die had s ‘avonds niets meer te eten. Mijn vader,  Louw, opperde om eens zijn hond een week mee te nemen om die ratten voor eens en voor altijd te verdrijven. Sierra was een kleine hond, natuurlijk van het vuilnisbakken ras, maar een met mooi krulhaar. De mannen schamperde wat over dit voorstel. Da haolt niks uit, der zitte der te veul. En wa mot zo’ n kleèn hoendje hier nou beginne. En as ie mèr van mun vréte aaf blijft en me s ’nachts mèr laot slaope. Kortom heel veel bedenkingen om een hond mee de Biesbosch in te nemen. s ‘Avonds als het werk gedaan was probeerden de griendwerkers nog wat bij te verdienen door een eend te vangen of een mol. Want het huidje van een mol bracht mooi 35 centen op. Een bunzing kwam steeds minder voor in de Biesbosch maar had je geluk er een te vangen dan was je spekkoper voor die week want de huid van een bunzing bracht maar liefst 10 gulden op. Precies evenveel als een weekloon. Op die maandag morgen ging Sierra dus mee aan boord onder luid gemopper van de andere griendwerkers. Mijn vader liet hem die dag, om te wennen, in de keet achter. Toen ze  s ‘avonds terug keerden lagen er al 4 dode ratten in de keet. Sierra was goed bezig geweest en de volgende dagen ontdeed hij de keet van alle ratten. Deze bleven op eerbiedwaardige afstand zolang ze wisten dat Sierra er rond liep. Van scepsis werd Sierra een alle mans vriend van de griendwerkers. En toen hij in één week ook nog eens 2 bunzings en 10 mollen ving kon hij niet meer stuk. De bleek was in die tijd nog niet afgesloten en zodoende kon men tot aan het haventje van Hank roeien. Bij de Oranjehoeve zette mijn vader Sierra op de dijk.  Sneller dan de mannen konden roeien was hij thuis. Het teken voor mijn moeder dat vader er aan kwam. Hij werd een echte keethond. En als men op maandagmorgen vertrok dan was het eerste wat ze vroegen aan vader: Is Sierra er bij? Want zonder hond gingen ze niet graag meer de Biesbosch in.

Uit: Verhalen rond het keetvuur. Bron: Stichting Archief*Kring Hank. Foto: Louw de Bot met kinderen en zijn legendarische hond Sierra. Foto 2: Een roeiaak in gevecht met de elementen.

 Met huid en haar.

 Dat het soms ook minder goed afliep vertelt het volgende, waar gebeurde verhaal, uit 1928. Ook andere ploegen uit Werkendam hadden last van veel ratten. Vooral op de Brabander, in het Gat van de Bakens stikte het er van. Ook hier opperde iemand om een hond mee te nemen. Helaas was deze hond nog jong en onervaren en bakte er weinig van om ratten te vangen. Goed hij ving ze dan nog wel niet maar hield ze wel op een afstand. Men besloot om de hond het komende weekend in de keet op te sluiten om zodoende de ratten te kunnen verjagen. Er werd voldoende water en voedsel voor de hond klaar gezet zodat hij het hele weekend in de keet kon doorbrengen. Vol verwachting deed men op maandagmorgen de keet open. Men had verwacht een blije, blaffende hond aan te treffen maar het bleef stil. Waar ze ook zochten geen hond. Alleen wat botjes en plukjes haar getuigden welk drama er zich hier had afgespeeld. Hij was met huid en haar opgevreten door de ratten!

Uit: Verhalen rond het keetvuur. Bron: Thomas Westerhout “Met kist en Bultzak de Biesbosch in”

 s’-Avonds als het keetvuur brand

Verhalen rond het keetvuur. 

 Verhaal 4    Onverwachte vloed

Uit voorzorg had men de keten in de ruige Biesbosch op heuvels gebouwd. Het was nu eenmaal een gebied van springvloed en getijden en erg onberekenbaar. De mannen wisten dat als het wat hard waaide het water snel kon stijgen en ze soms hard lopend de griend uit moesten om het water voor te blijven. Alleen een goede kennis van het gebied behoedde hen voor verdrinkingen. De haktijd van de griend was altijd in het verre najaar en in de winter. Juist de tijd dat er veel stormen het gebied teisterden. Al was de keet nog zo primitief het was er behaaglijk, na een dag hard werken, om rond het keetvuur te zitten.  Voor dat de meeste ouderen gingen knikkebollen waren het juist de jongsten die nog wat stoere verhalen wisten. November 1932. Het was maandagmorgen 4 uur al heel druk aan het Sluiske in Hank. De vertrektijd was deze keer zo gekozen dat ze de stroom nog enkele uren mee zouden hebben. Om het hele eind met de stroom mee te varen dan hadden ze om twee uur al moeten vertrekken. Sommige die heel ver de Biesbosch in moesten hadden dit ook gedaan. Ach het getijde daar moest je mee leren leven. Soms stroom mee en soms tegen. De ploegjes verzamelden zich en scheepten zich in. De kist aan boord en voor sommige die nieuw waren en de eerste keer meegingen de overbekende bultzak gevuld met vers stro.

Ook de ploeg van “ licht en donker “ had zich verzameld. Henk die als bijnaam de Profeet werd genoemd keek naar de lucht en voorspelde het weer. Manne dit gaat vandaog slecht worre. Het gaot sturmen. Nou had Henk een reputatie op gebouwd omdat zijn voorspellingen nog al eens uitkwamen. Wat Henk nooit had verteld en als geheim had is dat hij thuis in een wekfles een modderkruiper had. Als er een grote weersverandering op komst was ging deze ‘weeraal’ zo als hij ook wel genoemd werd onrustig door de fles heen en weer zwemmen.

Na het uitpakken in de keet van de Middelste Jannezand werd er een vuur gemaakt en toen het licht werd togen de mannen de griend in. Goed gemutst in de hoop veel bosjes te kunnen hakken zodat ook thuis de kachel kon blijven branden en moeder de vrouw bakker en slager kon betalen. In de loop van de morgen begon het te regenen. Hard te regenen. Het striemde de ruggen van de mannen, maar ze moesten door er moesten bossen komen hoe meer hoe beter. En als ze op zaterdagmiddag konden afrekenen bij de griendbaas dan was al deze ellende weer vergeten. In de middag veranderde het weer aanmerkelijk, de regen hield op maar de wind trok aan. Voorman Kees gelaste om alle bossen zo snel mogelijk op te gaan tassen omdat de griend wel eens vol kon lopen vandaag. Zijn woorden waren nog niet koud of men zag in de griendgeulen het water onverwacht hard stijgen. Ik dink da Henk weer gelijk krijgt zei Janus. Het water kwam met een dermate kracht de griend inzetten dat ze hard moesten lopen om nog droog de keetheuvel te bereiken. Het vuur werd opgepord en men maakte van de nood een deugd. Het water bleef maar stijgen en had binnen een uur de deur van de keet bereikt. Snel mannen zei Kees de kisten aan een touw hangen aan de Hanenbalken en ook je bultzak proberen droog te houden. Maar omdat het water bleef stijgen moesten ze zelf ook hun heil zoeken op deze ongemakkelijke Hanenbalken. Het vuur ging sissend uit en veroorzaakte een enorme rook in de keet. Ver in de nacht kwam de keetvloer weer droog te staan en ondanks stijf van het zitten op de balken ging men aan de slag om de keet weer bewoonbaar te maken. Bij de deur kerfde men het zoveelste streepje in het hout ten teken dat het water zo hoog had gestaan. En er stonden al zoveel streepjes van voorgaande stormvloeden. Toen het licht werd zag men de ravage in de griend. De bossen waren overal naar toe gedreven en het vergde bijna een halve dag om ze allemaal weer op een schelf te krijgen. En al die tijd dat de bossen van gisteren verzameld moesten worden konden ze geen nieuwe hakken dus ook geen nieuwe inkomsten. Pech dus, ook voor moeder de vrouw die deze week een stuk minder zou krijgen want meestal kwam de vloed nog een keer terug en kon er weer niet gehakt worden. Tot overmaat van ramp kwam de Griendbaas deze dag een kijkje nemen. Met zijn dikke sigaar stapte hij op de voorman af en vroeg of er veel schade was aan het hout want het had gespookt gisteren had hij vernomen. Ach dat de mannen de nacht door gebracht hadden op de Hanenbalken daar werd  niet naar gevraagd……

Bron: Stichting Archief*Kring Hank Foto: De keet op polder Ruwen Hennip stond regelmatig in het water.

s’-Avonds als het keetvuur brand

Verhalen rond het keetvuur. 

 Verhaal 5          De veldwachter

 ’s-Zomers werd er geen griendhout gekapt of riet gesneden. De meeste arbeiders zochten dan hun heil bij de boer op de polder. Hier was volop werk vooral als het oogsttijd was. Ook op de polders in de Biesbosch stonden keten. Sommige met een dubbele functie n.l. voor de winter het griend en riet werk en in de zomer diende het als onderkomen voor de polderwerkers. De Rattenkeet op Jannezand had ook zo’ n dubbele functie. Maar ook op polder de Plomp stond een keet. Het verblijf in de zomer was een stuk aangenamer. Het keetvuur werd alleen maar gebruikt voor het opwarmen van het eten en het zetten van koffie. Er was geen kou die verdreven moest worden en de spleten en kieren zorgde er nu juist voor dat het binnen toch aangenaam koel bleef. In het weekend moest van de boer er altijd iemand overblijven op de polder voor bewaking. Hij moest de vele duikers controleren zodat er niet onverwachts een stronk of stuk hout tussen de duikerklep kwam te zitten want dan zou de polder volstromen. Ook moest hij er op letten dat er geen stropers kwamen voor de fazanten en de hazen want die hield de boer liever voor zich zelf. En natuurlijk moest hij dat weekend de keet verzorgen en schoonmaken en kleine klusjes opknappen. Door zijn aanwezigheid kon er ook niets gestolen worden uit de keet. In de winter bij het keetvuur wisten de polderwachten altijd wel een verhaal te vertellen over hun eenzame verblijf op de polder. Zo ook ene Nol. Met zijn 19 jaar nog vrij jong maar stoer in de mond verhaalde hij van dat ene weekend in de zomer van 1929.

In Hank was een nieuwe jonge veldwachter gestationeerd. Eentje die niets begreep van het leven in ons dorp en in de Biesbosch. Hij was een strevertje en had geen idee hoe mensen moesten sabbelen om rond te komen Om de maaltijden aan te vullen werd er zo nu en dan een fuikje gezet of met het kruisnet gevist. Nee hij maakte zich niet populair vooral door zijn verbaliserend optreden. Hij had er alleen niet op gerekend dat de Hankse jongens slimmer konden zijn. Vooral in de Biesbosch met al zijn op elkaar lijkende geulen en kreken kon men zich op tijd verstoppen of zomaar in het niets verdwijnen. Hij beschikte over een klein dienst roeibootje waarmee hij zich zo af en toe in de doolhof waagde. Maar een proces verbaal had hij nog nimmer uit kunnen schrijven. Telkens als hij bijna dacht iemand te kunnen pakken verdween deze weer ergens onzichtbaar in een kreekje.

Ik had de groep uitgezwaaid die huiswaarts keerde en stond alleen op de polderdijk. Het eerste werk was niet de keet schoonmaken maar fuiken gaan zetten. Aan de rand van het Spijkerboor tussen het riet begon ik aan mijn werk. In het midden van het water zag ik Antoon bezig met een kruisnet. Plotseling uit het niets dook de veldwachter op. Ik zag hoe hij het bootje van Antoon enterde. Eindelijk dacht de veldwachter eens prijs te hebben. Maar hij had buiten de waard gerekend want Antoon gaf hem een flinke duw en de veldwachter lag over boord. Antoon ging er snel van door en liet de veldwachter spartelen. Ik hoorde hem om hulp roepen want echt zwemmen kon hij niet in zijn uniform en dit zou hij niet lang volhouden, temeer omdat het tij begon te keren en de gevaarlijke stroming richting de Amer ging. Ja en zou hij op de Amer belanden dan was de verdrinkingsdood nabij. Snel roeide ik naar hem toe en pakte hem bij zijn kladden en hees hem aan boord. Er kon echter geen dank je wel af en sterker nog, geloof me of niet, voor ik de oever bereikt had om hem af te zetten kreeg ik een proces verbaal van hem omdat ik ondermaatse vis in mijn leefnet had zitten en er nog een fuik aan boord lag. Toen hij ook nog eens begon te roepen dat hij deze boot uit naam der Koningin vorderde om zijn eigen boot op te halen was ook voor mij de maat vol. En juist toen hij even ging staan, niet gewend aan wankele bootjes zoals wij, kieperde ik hem voor de tweede keer over boord. Korte tijd erna vroeg hij overplaatsing aan. Met dit soort gajes kon hij echt niet uit de voeten!

Bron: Stichting Archief*Kring Hank. Foto: Geen wonder dat het stadse veldwachtertje zijn weg hier niet kon vinden. ( Uit: Biesbosch Panorama Hans Werther )

s’-Avonds als het keetvuur brand

Verhalen rond het keetvuur. 

 Verhaal 6            De Typhus epidemie van 1925

 Het was stil in de rattenkeet op Jannezand. Door de regen en de wind was de temperatuur niet aangenaam meer, ook al was het begin september. De polderwerkers kwamen na de lange en zware dag terug in de keet. Vandaag was het zwoegen om uit die zompige klei de aardappels te rooien en dan ook nog naar het gerief van de boer zoveel als mogelijk van de klei te ontdoen. Nee het had ze niet mee gezeten vandaag. Het keetvuur werd toch aangemaakt zij het dan om alleen maar het vocht te verdrijven. De verhalen bleven deze keer echter achterwege. Zelfs Cees van Ai, die meestal toch wel een smeuïg verhaal wist te vertellen zat stil voor zich uit te staren. Het was Hankse kermis en gisteren op zondagmiddag waren ze allemaal nog wel ergens in een van de 10 cafés geweest die Hank rijk was destijds of aan de platte Ka waar een armetierige ezel de mallemolen in beweging hield. Maar overal waar men kwam werd er ingetogen gefluisterd. Niemand was uitbundig.

Op zachte toon werd er gesproken over de jonge kinderen de Wit die ernstig ziek waren. Ze woonden op de T-Kruising van de Korte Dijk met de Buitendijk. De dokter uit Dussen was al tweemaal geweest, maar de plotseling opkomende koorts wilde maar niet wijken. Dus waren de gedachten bij het keetvuur bij deze kinderen. Hoe zou het met ze gaan. De rattenkeet stond hemelsbreed slechts twee kilometer van de Kertktoren van Hank, maar even gaan kijken om te horen of er nog meer gevallen bij waren gekomen ging gewoon niet. Met tij tegen was het zeker anderhalf uur roeien en de polder ka uitlopen tot aan de Postsloot was ook geen pretje. Bovendien had je daar dan een bootje af moeten meren om aan het Sluiske te kunnen komen.. Waarom komt er hier geen brug over de Bleek zei Piet dan hadden we elke avond thuis kunnen zijn. Nu horen we of zien niets.

Enkele dagen later waren Peter en Mientje de Wit dood. Het bericht deed dan ook al gauw de ronde dat ze gestorven waren aan de besmettelijk ziekte Typhus.

Ook de volgende weken bleef het stil bij het Keetvuur. De epidemie sloeg hard toe in Hank. De zoon Jan Herman van Frans die tegenover het gezin van der Pluijm woonde kreeg ook de typhus. Er kwamen steeds meer gevallen. De pastoor voelde zich geroepen om vanaf de kansel zijn parochianen er op te wijzen hoe besmettelijk de ziekte was. In oktober beierde de doodsklok bijna dagelijks en met grote angst hoorde de bewoners dit aan.

Zo kwam ook nog de bietencampagne op gang en de karren vol bieten die langs de huisjes aan de dijk kwamen waar iemand aan typhus leed veroorzaakte een ware marteling door de schokken. De pastoor gelaste dan ook dat er voor deze huisjes stro werd gelegd zodat het wat dragelijker werd voor de zieken. Er werd aangeraden om creoline te gebruiken. En aan de ingang van de scholen stonden dan ook bakken met creoline  waar de leerlingen de klompen in moesten dompelen voor ze de school ingingen. Mensen die de creoline niet konden betalen konden gratis bij de pastoor een fles halen. Het gemeente bestuur was armlastig en de beloofde hulp vanuit het provinciehuis kwam er maar niet. Pastoor Willaert kon dit niet langer aan zien. Op een morgen ging hij de pont over bij Keizersveer en toog met wandelstok naar Raamsdonksveer en nam daar het Halve Zolen Lijntje naar s’Hertogenbosch. Hoe dichter hij Den Bosch naderde hoe meer hij zich opwond. Het inleidend gesprek met de ambtenaar was naar de zin van de pastoor te ambtelijk. Hij stond op, greep zijn wandelstok en sloeg zo hard op tafel zodat het stof alle kanten in vloog en schreeuwde dat ambtenaartje toe “ Uw hulp komt als we allemaal dood zijn “ De pastoor en de stok hadden goed werk gedaan en reeds een week later stond er tussen de kerk en het klooster een ziekenbarak met verplegend personeel. Achter de barak werd een groot diep gat gegraven waar al het afval in moest en daarna afgedekt met een laag kalk. Het vervoer van de zieken naar de barak gebeurde s, avonds  met ziekenwagentjes met houten wielen. Een ware marteltocht.

Om de epidemie te beteugelen mochten overledenen niet meer in de kerk komen. Zij werden opgebaard in de kelder onder de kerk. Het kerkkoor zette zijn gezangen pas in op het kerkhof, dit voor de rust van de zieken in de barak. Ook hier stonden weer de gebruikelijke bakken met creoline. De pastoor en de parochianen deden een belofte: Als de epidemie zou wijken dan zou op de plaats van de barakken een park gebouwd worden, opgedragen aan de Heilige Maria. Langzaam keerde in november ook de rust weer in al de keten van de Biesbosch. De epidemie was onder controle. Ongeveer 30 mensen werden besmet waarvan er zes overleden meest in de gevoelige leeftijd tussen veertien en twintig jaar. Het Hankse cabaret zong dan ook in die tijd: Voorbij zijn de tijden, voorbij zijn de rouwen, voorbij is die tijd zo koud en kil.

Bron: Archief*Kring Hank. Opgetekend door Toon van Janus van Sjanen. Foto: Bidprentjes van drie overledenen en broer en zus Peter en Mientje de Wit. Bron: Digitaal archief stichting Archief*Kring Hank.

 

s’-Avonds als het keetvuur brand

Verhalen rond het keetvuur. 

 Verhaal 7            Na storm komt vorst

De ruige Biesbosch. Vele Hankenaren verdiende hier hun brood. Zij kozen voor de soms vele ontberingen van het werk in de grienden, de rietvelden of op de polder boven het duffe eenzijdige werk op de papierfabriek aan het Keizersveer. Het was hard werken om op zaterdag een loontje bij elkaar te hebben gesprokkeld. Maar alles beter dan de slavenarbeid tussen de muren van de papierfabriek. En het werken in de natuur had soms ook zijn voordelen. Hoe onvoorspelbaar de natuur in de Biesbosch was werd verteld bij het keetvuur als de zware arbeid voor die dag gedaan was. Verhalen die werden aangedikt om ze nog spannender te laten lijken en om anderen angst in te boezemen. Het volgende verhaal speelt zich af in de winter van1936. Midden in de crisis tijd voor de oorlog. Ze waren die maandag met 8 man vertrokken vanaf het Sluiske. 5 man in de rietaak en 3 in een roeiboot. De winter was grillig verlopen, vorst werd afgewisseld met perioden van dooi. De verdiensten waren niet al niet te best. Bij vorst kon men niet uitvaren en moest men leven van de steun uit het crisisfonds van de gemeente. Het was nu midden februari en na 14 dagen vorst en thuiszitten kon men er dan eindelijk weer op uit. Het ijs was al weer verdwenen en afgevoerd via de Amer naar zee. Maar het waaide hard deze maandagochtend. Zo hard zelfs dat ondanks dat het tij gunstig was men toch maar nauwelijks vooruit kwam. Deze week moesten ze naar de rietgorzen van de Benedenste Jannezand. Gelukkig dus niet zover de Biesbosch in. Maar de wind trok nog verder aan en om op de Benedenste Jannezand te komen moest het gevaarlijke Spijkerboor over worden gestoken. Met veel buiswater in de boten kwam men bij de keet aan. Gerrit de voorman gelaste dat eerst de keet voorzien moest worden van het nodige stookhout. Zodra het licht zou worden zouden ze verder zien of er nog riet gesneden kon worden. Want met een storm kwam altijd veel water mee en zette de rietgorzen en de griend onder water zodat er niet gewerkt kon worden. Koos was altijd pessimistisch voor wat het weer betreft. Na storm komt vorst zei hij let maar op. Die dag wakkerde de wind aan tot een zware storm en de keet kreunde in al zijn voegen. Behaaglijk bij het keetvuur gingen de verhalen in het rond. Maar verdiend werd er niets. Op dinsdag was de storm uitgeraasd maar de gorzen stonden nog steeds onder water zodat er weer niet gewerkt kon worden. En toen kwam plots de ommekeer in het weer. De wind draaide naar oost, de grienden en gorzen liepen droog en de mannen konden aan het werk. Maar nu was de snerpende oostenwind hun grootste tegenstander. De kloven in hun handen voelden pijnlijk aan. s ’Avonds werden die verzorgd met uierzalf wat de pijn aanmerkelijk verzachtte. De Oosten wind bleef straf doorstaan en de temperatuur daalde tot ver onder het vriespunt. Zie je wel zei Koos, na storm komt vorst. Die nacht moest het keetvuur blijven branden omdat het anders veel te koud zou worden. Vroeg in de morgen ging de voorman naar het rietgors om te kijken of er alsnog wat gedaan kon worden. De kreek waar de keet stond was al helemaal dicht gevroren en de boten lagen vast. De oosten wind trok nog verder aan en voor het gevoel werd het nog kouder. In het rietgors had zich ijs gevormd zodat er van snijden niets meer terecht kwam. Maar wat nu? Het was pas woensdag wat moesten ze in godsnaam hier nog doen tot zaterdagmiddag? Terug in de keet hield hij een beraad met de ploeg. Mannen we kunnen niet meer met de boot naar buiten om het Spijkerboor te bereiken. Het is ongekend hoeveel drijfijs er daar al is. Zo ver ik kon zien lag het Middengat van het Zand al dicht. We zitten als ratten in de val. Ik hoop voor ons allen dat het nu maar door blijft vriezen zodat we hopelijk over het ijs ons dorp nog kunnen bereiken. We houden om beurten de wacht vannacht om het vuur aan te houden en morgen gaan we kijken of we het Middengat van het Zand over kunnen steken daar waar hij op zijn smalst is tegenover de griendkeet die daar staat. In deze keet  kunnen we rusten om daarna de volgende oversteek naar Jannezand te maken. Maar nogmaals het ijs is onberekenbaar en gevaarlijk. Vroeg in de morgen werd er gegeten. De mannen trokken alle  kleren aan die ze bij zich hadden. Stopten nog wat droog brood in hun zakken en gingen rond de tafel zitten om te beraadslagen. Gerrit zei, mannen wat we nu gaan doen is heel gevaarlijk, maar we hebben geen keus, morgen is onze voorraad zo goed als op. Het is hier blijven en sterven van de honger of proberen met zun allen Jannezand te bereiken. We nemen de richter (loopplank) van de roeiaak mee want je weet door het tij is het ijs aan de kanten heel broos en zak je er zo doorheen. We binden ons met touwen aan elkaar vast zodat we de helpende hand kunnen bieden als er iemand door het ijs gaat. Wie niet durft blijft hier. Ik ga voorop. Als ganzen achter elkaar liepen ze de griendkade uit van de Benedenste Jannezand. Op de punt van de griend was het Middenste gat van het Zand op zijn smalst en konden ze de keet in de andere griend zien staan. Het nadeel was wel dat het water hier erg diep was waardoor het ijs nog best dun kon zijn, maar hopelijk sterk genoeg om hun te dragen. De richter werd uitgelegd en Gerrit ging het ijs op. Hij sprong wat heen en weer om het te testen. Vreemd genoeg was hier het ijs al sterk genoeg. Behoedzaam ging Gerrit naar het midden. De rest volgde aan het touw met flinke tussen afstanden. In het midden kregen ze allen de schrik van hun leven. Het ijs begon te kraken en de scheuren maakten een angstaanjagend geluid alsof het uit het diepe der aarde kwam. Stokstijf stonden de mannen stil. Hun blik op Gerrit gericht. Wat zou hij doen? Waagde hij het met het risico dat ze allen door het ijs gingen of kwam hij terug. Gerrit wist uit ervaring dat als het ijs eenmaal uit gekraakt was hij het nogmaals moest proberen. Met zijn pikhaak voor hem uit stampend ging hij voetje voor voetje verder en bereikte hij de oever. Hij gaf de mannen opdracht om toch vooral heel langzaam te blijven lopen en goed afstand te houden. Zo bereikten ze de griendkeet waar even gerust kon worden. Het andere gat oversteken zou geen problemen opleveren zei Gerrit want dat is ondiep dus daar zal het ijs sterk genoeg zijn. Tegen de middag bereikten ze de rattenkeet op Jannezand. Vaste wal. De brug over en naar moeder de vrouw. Niks verdiend maar toch gelukkig.

Bron: Stichting Archief*Kring Hank. Bij de foto: De keet op de Benedenste Jannezand vanwaar hun barre tocht begon om over het ijs thuis te komen.